|
|
Sollicitatie voor een niet-kandidatuur
Volstaan arrogantie en boekhoudkunde om het premierschap af te dwingen?
25 augustus 2006
In een interview met de Franse krant Libération (17 augustus 2006) wees Vlaams minister-president Leterme op ‘de moeilijkheden van de Franstalige leiders om vlot Nederlands te praten’. Hij merkte ook op dat de Franstaligen in de faciliteitengemeenten rond Brussel blijkbaar niet over de intellectuele capaciteiten beschikken om Nederlands te leren (apparemment les francophones ne sont pas en état intellectuel d'apprendre le néerlandais). Ironie natuurlijk, dat verwijt van domheid. Maar Franstalig België reageerde er wel eensgezind furieus op. Het tegendeel zou raar zijn: vele Franstalige landgenoten voelen zich beledigd – vooral zij die wel Nederlands leerden, daar profijt uit halen (in Brussel zitten de Vlaamse scholen vol Franstaligen) en van Vlaanderen houden.
Zo iemand is Benedict Vaes, journaliste bij Le Soir. Enkele weken geleden verbleef ze op uitnodiging van Gazet van Antwerpen nog in de Scheldestad. Haar reportage werd net geen lofzang op stad en regio. In een edito noemt ze de uitspraak van de minister-president nu ‘arrogant’ en ‘kwetsend voor hen die, steeds talrijker, taalcursussen volgen en hun kinderen naar een taalbad sturen’ (18 augustus). Ze vermeldt toppolitici als Rudy Demotte, Didier Reynders of Armand de Decker die geen les in tweetaligheid te krijgen hebben, ‘in tegenstelling tot bepaalde Vlaamse ministers uit de federale regering’.
Voor haar kan Leterme niet langer eerste minister worden, want hij overschreed een grens. Niet alleen omdat hij beledigde, maar ook en vooral om wat in zijn minder ironische uitspraken uit het interview doorklinkt. De Vlaamse nummer één ziet geen meerwaarde in separatisme ‘op korte termijn’ en vindt dat ‘de noodzaak aan een federale regering verschuift naar het tweede plan als het op de belangen van Vlaanderen aankomt’ (la nécessité d'avoir un gouvernement fédéral passe au second plan par rapport aux intérêts de la Flandre). Samengevoegd zijn beide meningen niet van die aard om in Wallonië vertrouwen te wekken. Ze vormen een zachte variant op het ‘België barst’.
Niet alles wat kwetst is de waarheid
Uit peilingen blijkt dat tachtig procent van de Vlamingen het eens is met wat de minister-president in het interview zei. Zij begrijpen de heisa van de Franstaligen niet, of vermoeden er politiek opportunisme achter. Dat was ook de teneur in de meeste Vlaamse krantencommentaren: de waarheid kwetst. ‘Het kan geen kwaad dat Leterme nog eens rustig op de feiten heeft gewezen,’ vond Bart Sturtewagen (De Standaard, 19 augustus).
Was dat laatste maar waar. Nog meer dan door de politieke boodschap van de minister-president was hoofdredactrice Béatrice Delvaux van Le Soir geshockeerd door ‘de vernederende toon die hij aanslaat.’ Diezelfde Delvaux had vorig jaar aan De Morgen al uitgelegd dat de Franstaligen het beu zijn om continu afgeschilderd te worden als profiteurs die een efficiënt bestuur van het land in de weg staan: ‘de minachting door de Vlamingen voelen wij heel hard aan’ (5 februari 2005).
Getuigt Franstalige landgenoten met een racistische sneer beledigen in een buitenlandse krant van een grote intellectuele capaciteit? Niet echt, maar het wordt door vele Vlamingen blijkbaar wel als een geoorloofde houding ervaren in de communautaire dialoog. Mogelijk gevoed door een vorm van historisch revanchisme (vroeger waren het immers de Vlamingen die vernederd werden door een Franstalige bourgeoisie) zijn vele Vlaamse politici laatdunkendheid jegens het andere landsdeel als legitiem gaan beschouwen – ze doen eraan mee of bewaren het stilzwijgen wanneer anderen zich eraan wagen. De overgrote meerderheid van de Vlaamse politici ‘zit helemaal in het spoor van de minister-president’, wist Yves Desmet (De Morgen , 19 augustus). Geen enkele Vlaamse partij nam openlijk afstand van ook maar één uitspraak in het interview, merkte Dirk Castrel op, want ‘dat zou een strategische blunder zijn, zo kort voor de verkiezingen’ (Gazet van Antwerpen, 19 augustus).
De ruimte voor dialoog wordt blijkbaar steeds kleiner, die voor het rollen van de spierballen groter. ‘Dat de Franstaligen zo op hun teen getrapt zijn, bewijst alleen maar het gelijk van Yves Leterme,’ schreef een lezer van de Gazet van Antwerpen (19 augustus). Met dergelijke uitspraken stopt zelfs elke dialoog. Dit soort logica getuigt van een gebrek aan inlevingsvermogen waarmee ook aanrandingen worden goedgepraat: elke reactie bevestigt er het gelijk van de agressor.
Als ‘met de fanfare voorop lopen’ (= op voorhand hoge minimumeisen stellen) af te raden valt wanneer je in een onderhandelingslogica stapt, waarom is met de artillerie voorop lopen dan wel een aanrader? Is het omdat een toename van intolerantie electoraal lonend blijkt in een Vlaanderen dat het streven naar meer autonomie misschien verwart met een verlangen naar meer homogeniteit?
Boekhoudkunde
In Belgisch verband is het netto resultaat van dit soort non-dialoog alvast negatief, en misschien is dat wel de bedoeling:
1. Franstalig België gaat zich nog stugger opstellen bij onderhandelingen, met draagvlak hiervoor bij pers en publiek. De polarisering vergroot, de stellingen verharden, de kloof wordt alweer wat dieper. Voor wie nog gelooft in een Belgisch staatsverband is het stigmatiseren van anderstalige landgenoten het tegendeel van goed bestuur.
2. In Wallonië wordt het beeld bevestigd van een Vlaanderen waar extremisme en separatisme de dominante onderstromen zijn. De voorzitter van de Jeunes cdH vreesde ‘dat er een uitgekiende strategie achter schuilt om een deel van de extreem rechtse kiezers aan te halen’. ‘De maskers vallen,’ schreef Paul Masson in La Dernière Heure. Dergelijke oprispingen worden nog gevoed door de opmerking van de Vlaamse minister-president dat België een historisch ongeluk is (née d'un accident de l'histoire). Wat vroeger slechts geopperd werd aan de Vlaams-nationalistische rechterzijde blijkt ineens gedachtengoed van het politieke centrum te zijn.
3. In het buitenland wordt een al rudimentair beeld van België nóg clichématiger. Waarom exporteerde de minister-president zijn communautair jennen? In de berichtgeving over het interview en de reacties erop gaan de nuances al helemaal verloren. The Daily Telegraph had het over een ‘francofobe Leterme’ die hooghartig en boers is.
4. Aan Franstalig België én het buitenland vertelde de leider van een landsdeel dat zijn land niet veel meer is dan een koning, wat voetbal en enkele bieren. Hij vindt dit niet jammer, want voor hem heeft België geen waarde op zich. Wel haar instellingen die ten dienste van het volk staan. Je vraagt je af waarover nog communautair onderhandeld moet worden in 2007. Over dat bier en het voetbal?
De minister-president staat in Vlaanderen bekend als een pragmatisch bestuurder, niet als een voluntarist. In Vlaanderen wekt zijn boekhoudkundige relatie met het land België verwachtingen binnen kringen die maximale Vlaamse autonomie nastreven. Daar wordt in toenemende mate moord en brand geschreeuwd over een Wallonië dat Vlaanderen in het economische moeras meezuigt. Telkenjare blijkt intussen uit internationale statistieken dat de Vlaming bij de rijkste mensen ter wereld blijft behoren. Enkele dagen geleden nog was er het bericht dat de Antwerpse haven vorig jaar met 5 procent groeide, tegenover 1 procent voor Rotterdam. Wie zuigt Rotterdam in het moeras? Hoeveel rijker willen we eigenlijk worden?
Zij die België wel waardevol vinden en van daaruit willen vertrekken huiveren van het boekhoudkundige startpunt. Boekhoudkunde kan misschien volstaan om Vlaanderen te besturen, weten ze, maar niet om België bijeen te houden. Voor hen komt deze Vlaamse minister-president niet in aanmerking voor de job van eerste minister. Al zou hij misschien wel letterlijk de ultieme premier van België kunnen worden, want een regeringsleider met een dergelijk zwak geloof in het bestaan van zijn eigen land is toch helemaal surrealistisch?
Nationale kieskring
Is er dan geen ongelijkmatige economische ontwikkeling? Zijn de financiële transfers van Vlaanderen naar Wallonië een verzinsel? Neen. Die transfers zijn er al sinds het ontstaan van België en zelden gingen ze in noordwaartse richting. Daarover moet blijvend gepraat worden, net zoals over de taalfaciliteiten.
De vraag is: binnen welk verband? Het enig mogelijke niveau om dat te doen is het federale niveau, en daar situeert zich het werkelijke probleem van België als een politieke natie. Op dat bestuursniveau heerst namelijk een democratisch deficit: Kamer, Senaat en regering worden bevolkt door gewestelijk verkozen politici die geen politieke verantwoording moeten afleggen aan het hele volk. Waalse en Vlaamse kiezers moeten zich noodgedwongen beperken tot verbaal geweld, wanneer ze malcontent zijn over de handelswijze van politici uit de andere helft van het land. Bij verkiezingen kunnen ze hen daar niet rechtstreeks op afrekenen. Eventuele frustratie kunnen alleen in het eigen landsdeel in stemgedrag worden omgezet, waardoor het communautaire een onevenredig groot gewicht krijgt op alle verkiezingsniveaus, behalve op het niveau waar het werkelijk zou moeten wegen.
In ons nationale kiessysteem zit de desintegratie van het land ingebakken. ‘Le fédéralisme belge n’est pas un modèle de cohabitation, mais plutôt de dissociation,’ merkte politicoloog Lieven de Winter vorig jaar terecht op in Le Monde Diplomatique (juni 2005): ons soort federalisme is geen model van samengaan, wel van ontbinding.
Onderlinge solidariteit en een performante democratie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: het een kan niet zonder het ander. Ook binnen Vlaanderen zijn er verschillende economische snelheden, net zoals binnen provincies en steden. Maar op die bestuursniveaus is een democratische correctie wél mogelijk: de houding van politieke leiders (de beheerders van de collectieve portemonnee) kan via het stemhokje beïnvloed worden.
Om tot een echte federale democratie te komen is er nood aan één nationale kieskring. Anders dreigt oplopende spanning tussen het federale bestuursniveau en de aan macht en zelfvertrouwen winnende regionale regeringsniveaus, eindigend in onbestuurbaarheid.
Wie politieke verantwoording moet afleggen aan alle Belgen zal minder geneigd zijn om een deel ervan op een gemakkelijke manier te diaboliseren en zal daarentegen pogingen doen om een echt federaal programma voor te leggen, focussend op het gemeenschappelijk belang. Deze nieuwe stap in de complexe bestuurlijke geschiedenis van ons land hoeft overigens geen terugkeer in te luiden naar het vroegere unitarisme.
De voorbije jaren lanceerden academici (de Paviagroep) en politici voorstellen om zo’n nationale kieskring in het leven te roepen. In maart 2005 dienden de senatoren Isabelle Durant en Josy Dubié een wetsvoorstel in om de grondwet in functie daarvan te herzien: voortaan zou een kwart van alle Kamerleden verkozen moeten worden in één nationale kieskring, door alle kiezers samen dus.
Het huidige Belgische federalisme werkt de verdamping van de Belgische identiteit in de hand. Wie België bijeen wil houden – bijvoorbeeld een kandidaat-premier – moet daarop focussen en niet op de beperkingen van het verbale geweld over-en-weer. Zoniet halen de separatisten het met de vinger in de neus en is er over afzienbare tijd effectief geen België meer, ondanks de vele Belgen.
Niet realistisch zo’n nationale kieskring, wordt vaak gezegd. Geen draagvlak voor in Vlaanderen. De centrifugale krachten wegen er steeds zwaarder door. Zelfs de minister-president zegt nu dat het land een historisch accident is.
Geen enkele grens was ooit voorbestemd, elk land ontstaat uit historische accidenten, elk land is een constructie en had er ook anders kunnen uitzien. Historische accidenten zijn mensenwerk, zoals ook de bestuurlijke organisatie dat is. De Vlamingen slaagden erin om het Nederlands als dominante taal te installeren in hun bestuur, hun onderwijs, hun bedrijfsleven. Ooit was dat geen realiteit, wel een doelstelling. Om de realiteit te veranderen diende gemobiliseerd, een bestaande evolutie doorbroken, een politiek draagvlak gezocht, strijd geleverd.
De vraag is waarvoor Vlaamse Belgen vandaag strijd leveren willen. Vinden ze een nationale kieskring het proberen waard? Durven ze het aan? Ervaren ze het als een eerlijker test voor ‘wat leeft’ in de verschillende landsdelen, of net niet? Vinden ze de keuzemogelijkheden groter bij opsplitsing, of net niet? Of willen ze die keuze niet?
Een grondwetswijziging over deze kwestie mag zeker niet naïefweg doorgevoerd worden, wel beredeneerd met aandacht voor vele na te streven evenwichten. Een federale kieskring waar niet op voorhand een verdeelsleutel tussen taalgroepen vastgelegd wordt versterkt allicht nog de communautaire logica.
Zo’n kieskring lijkt een noodzakelijke voorwaarde om opnieuw een echt intercommunautaire dialoog te realiseren. Nu kennen we bijna uitsluitend nog politieke debatten binnen de landsdelen. De vraag wordt dan: willen wij met andere landsdelen nog een specifieke dialoog voeren – of mogen de andere landsdelen politiek ‘buitenland’ worden/blijven.
Some are more equal than others
Reagerend op het interview van minister-president Leterme schreef een lezer van de Gazet van Antwerpen: ‘Het is de logica zelf dat in een land van 10 miljoen inwoners de ene bevolkingsgroep van 6 miljoen meer in de pap mag brokken dan de andere, zeker als die grootste bevolkingsgroep ook nog de economische motor van dat land is’ (19 augustus 2006). Is dat zo logisch? Een democratie steekt toch genuanceerder in mekaar dan dat, met speciale aandacht voor minderheden – numerieke en financiële – en met correcties om minderheden voldoende inspraak te geven? Vertaald naar Europa zou wat de lezer schrijft betekenen dat Vlamingen en Belgen er nauwelijks een stem hebben. Of dat het rijke Zweden meer ‘in de pap te brokken’ heeft dan het arme Portugal.
We krijgen het met de paplepel meegegeven: rijken hebben meer te zeggen in samenwerkingsverbanden dan armen. We aanvaarden het als een dogma dat de VS meer zeggenschap heeft in de VN dan alle landen van Afrika samen: inspraak in een democratie moet je blijkbaar financieel afdwingen. Onuitgesproken wordt dan vaak bedoeld: de rijken verdienen hun dominantie, want ze werken er hard voor. Nog meer onuitgesproken is er het vooroordeel dat armen hun armoede aan zichzelf te danken hebben, o.a. omdat ze niet hard genoeg werken. Of omdat ze niet beter kunnen.
In een Vlaams misprijzen voor Wallonië speelt ook dit: ze willen het niet wordt gemakkelijk ze kunnen het niet. Ook die verglijding zit in de ironische analyse vervat dat Franstaligen intellectueel niet capabel zouden zijn om Nederlands te leren. Hoe ironisch bedoeld ook, het blijft stereotyperende cafépraat. Dergelijke praat in een Franse nationale krant heeft wel een andere impact dan op café.
De taalkwestie
In essentie heeft de minister-president natuurlijk gelijk wanneer hij opmerkt dat Franstaligen in de Brusselse rand minder Nederlands spreken en de taal minder beheersen dan in de jaren zestig werd verhoopt, toen de faciliteiten wettelijk bekrachtigd werden. Vele Franstaligen leveren nauwelijks of geen inspanningen om de dominante taal van hun gewest te spreken. In sommige Vlaamse randgemeenten van Brussel zijn intussen 70 tot 80 procent van de bewoners Franstalig, stelde de minister-president vast in het interview (‘erkende hij’ werd het in de Franstalige pers en politici). Omgekeerd spreken duizenden Vlaamse inwijkelingen in Wallonië na 1 generatie Frans, ook in faciliteitengemeenten.
Met spierballenretoriek bemoeilijkt de minister-president het debat over wat een terecht aandachtspunt is. Dat is jammer. Ondanks die negatieve bijdrage moet het debat gevoerd worden. Niet alleen door de voorstanders van een onafhankelijk Vlaanderen, maar zeker ook door de tegenstanders ervan. Voor het voortbestaan van België is de taalkwestie wellicht fundamenteler dan de sociaal-economische geschillen. De kwestie is niet alleen veel concreter, ze ligt ook gevoeliger. Vele Vlamingen leiden er onwil en minachting vanwege de Franstaligen uit af, deels terecht. Minachting voor het Nederlands wordt al vlug ervaren als minachting voor wie Nederlands spreekt.
In Wallonië wonen en geen Frans willen leren valt niet goed te praten. In Vlaanderen wonen en geen Nederlands willen leren evenmin – niet in de Brusselse rand maar ook elders niet. De taal van de overgrote meerderheid niet willen leren is een recept voor uitsluiting: de mogelijkheid tot communicatie wordt veel kleiner, in beide richtingen. Het is ook een teken van gebrek aan respect voor stads- of streekgenoten.
Op 1 september 1963 werd de taalgrens grondwettelijk vastgelegd. Als tegemoetkoming voor de grote groepen anderstaligen in sommige gemeenten werden faciliteiten toegekend: die gemeenten moesten hun diensten niet alleen in de taal van hun gewest maar ook in de taal van sommige minderheden aanbieden. De faciliteiten werden beschouwd als een middel om de integratie van anderstaligen te bevorderen: men wilde ze daartoe de tijd gunnen. In de praktijk liep het evenwel anders, vooral in de Brusselse rand. Veel Franstaligen kwamen zich er in de voorbije decennia vestigen en blijken ongemotiveerd om Nederlands te leren.
Een uitdoofbeleid voor de faciliteiten staat niet in de wet ingeschreven en is dus niet afdwingbaar. Over een eventueel afschaffen van faciliteiten moet bijgevolg onderhandeld worden op federaal niveau. Evident is dat niet, want de Franstalige gemeenschap ziet daar geen redenen toe. Op een persconferentie over het interview van minister-president Leterme beklemtoonde zijn Waalse evenknie Elio di Rupo dit nogmaals: ‘Men probeert te doen geloven dat de taalfaciliteiten een privilege zijn en dat ze, zoals alle privileges, uiteindelijk zullen verdwijnen. Dit staat haaks op de historische waarheid. Als er vandaag een taalgrens bestaat is dat omdat men de garantie gaf aan de Franstaligen dat ze in Vlaanderen hun taal zouden kunnen blijven spreken en er de overheidsdocumenten in hun eigen taal zouden blijven krijgen. Na veertig jaar herschrijft men de geschiedenis. Men doet het uitschijnen alsof Franstaligen niet willen integreren. Dat is niet waar!’ (21 augustus 2006).
Als het niet waar is, dan moeten we op zijn minst toch de definitie van integratie gaan herzien: in Vlaanderen hoort het leren spreken van de lokale voertaal daarbij, zoals dat ook in Wallonië het geval is.
Het Nederlands blijkt onvoldoende aantrekkingskracht uit te oefenen op veel Franstaligen die zich in de Brusselse rand vestigen. Niet alleen in faciliteitengemeenten, maar ook in Vlaamse randgemeenten als Vilvoorde of Zaventem waar geen faciliteiten bestaan. Ook daar vestigen zich steeds meer Franstaligen die geen Nederlands spreken, het nauwelijks begrijpen en het ook niet leren. Hoe komt dat?
De relatief kleine schaal van ons taalgebied speelt zeker een rol. Voor Vlamingen is het een logischer inspanning om Frans te leren: het is een wereldtaal. Buitenlandse popsterren op Vlaamse podia bedanken hun publiek bijna altijd in het Frans, het buitenland leest over ons in het Frans (en leest dus vooral de Franstalige pers). Het is een dynamiek die moeilijk van bovenaf bij te sturen is: hoe groter het taalgebied, hoe evidenter om de taal te leren. Wellicht verklaart dit ten dele waarom Zwitsers gemakkelijk andere landstalen leren als ze in eigen land verhuizen: it pays off! Het kan ook verklaren waarom faciliteiten voor Franssprekenden in Canada niet als bedreigend ervaren worden door de immense groep van Engelssprekenden. Of waarom je in hoofdsteden als Stockholm, Helsinki of Lissabon makkelijk iemand vindt die een tweede taal spreekt, terwijl dat in hoofdsteden uit grote taalgebieden (Londen, Madrid, Parijs) minder evident is. Voor Franstaligen behoort Brussel tot die laatste groep. De komst van nieuwe Franstaligen uit Noord- en Centraal-Afrika versterkte nog het Franse karakter van Brussel. Vele Franstaligen sturen overigens daarom hun kinderen naar Vlaamse scholen, wegens de toevloed van deze nieuwe Belgen.
De meeste Vlamingen begrijpen Frans, spreken het ook in veel vlottere mate dan de gemiddelde Franstalige Nederlands spreekt en zijn daar in zekere zin trots op. Het Frans was lange tijd prominent aanwezig in het Vlaamse straatbeeld (uithangborden, reclame, opschriften allerhande). Het was de taal van de overheid, het leger, het onderwijs. In dat onderwijs blijft het voor de meeste leerlingen nog de tweede taal. Ook dat beïnvloedt de gemakzucht bij vele Franstaligen: uiteindelijk is er toch altijd een lingua franca, een gedeelde taal – namelijk hun taal.
Bovendien straalt het Frans nog altijd een prestige uit die een relatief jonge taal als het Nederlands – in onze contreien vaak ook een instabiele taal (cfr. het ‘verkavelingsvlaams’ of de frequente spellingsaanpassingen) met onzekere sprekers – nog niet heeft. Vele Franstaligen beschouwen het Nederlands als een dialect. Vaak horen ze effectief ook dialectisch Nederlands, want de meeste Vlamingen spreken doorgaans geen ‘algemeen’ Nederlands. Alweer slinkt de aantrekkingskracht voor Franstaligen.
De Vlaamse culturele elite – met dito taal – is van recente makelij. In Vlaanderen was nooit meer dan een paar procent van de bevolking echt Franstalig, maar zij maakten wel deel uit van een expansieve cultuur met een rijke erfenis. Lange tijd vormden zij in zekere zin de Vlaamse elite, voerden ze er letterlijk het hoge woord in de adel, de hogere burgerij, de ondernemerswereld, de magistratuur en de administratie. Veelal distantieerden ze zich van het volk dat Vlaams sprak en gaandeweg Nederlands leerde. In Vlaanderen vormde de taalbarrière daardoor ook lange tijd een klassebarrière.
Net toen daar verandering in kwam, werd de taalgrens wettelijk vastgelegd en kwamen de taalfaciliteiten er. Tegelijk kwam – ook in Vlaanderen – een stadsvlucht op gang. Heel wat bemiddelde Franstalige Brusselaars ruilden in de volgende decennia het verloederde Brussel voor de groene, Vlaamse rand. Ze werden er villabewoners – het werd een scheldwoord. In tegenstelling tot de kleine groep van Franstaligen die ook nu nog over heel Vlaanderen verspreid wonen zijn deze villabewoners in meerderheid dus vooral recente inwijkelingen. Op Wikipedia wordt in dit verband een treffend onderscheid gemaakt tussen de oude en de nieuwe Franstaligen in Vlaanderen: ‘De eerste groep is in véle opzichten vergelijkbaar met de reeds sinds de Middeleeuwen in Antwerpen wonende Joden (grotendeels Jiddisch-sprekend). De tweede groep is dan weer een recent fenomeen, vergelijkbaar met de recente numerieke meerderheden van Duitse en Engelse permanente residenten in sommige dorpjes aan de Spaanse Costa Brava en op de Balearen.’
Sinds 1963 is een gewijzigde linguïstische realiteit ontstaan in de Brusselse rand: de faciliteitengemeenten zijn grotendeels verfranst en dat was niet de bedoeling. De taalwetgeving diende om minderheden te beschermen in een anderstalig gebied, niet om nieuwe minderheden te creëren in het eigen taalgebied.
Los je deze realiteit op door een onafhankelijk Vlaanderen uit te roepen? Niet per definitie. Ook in een onafhankelijk Vlaanderen zullen Franstaligen nabij de taalgrens bijna zeker Frans blijven spreken. Los je dit op door geen faciliteiten te verlenen en de bestaande faciliteiten af te schaffen? Wellicht evenmin. Ook in niet-faciliteitengemeenten uit de Brusselse rand is er nu al een sterke verfransingsdruk. In sommige Vlaamse gemeenten ten noorden van Brussel is in de helft van de gezinnen minstens één partner Franstalig. In sommige klassen spreekt de helft van de leerlingen thuis geen Nederlands, wel Frans. In het kieskanton Zaventem (met de gemeenten Zaventem, Steenokkerzeel, Wezembeek-Oppem, Kraainem, Overijse en Hoeilaart) stemde in 2004 meer dan een kwart van de kiezers voor de Union des Francophones. Veel Franstaligen gaan ook deze gemeenten stilaan als faciliteitengemeenten beschouwen.
Eind mei 2006 maakte het gemeentebestuur van Zaventem bekend dat kandidaat-kopers van gemeentelijke percelen Nederlands moesten kennen of zich bereid moesten tonen het te leren. De Franstalige oppositie had het over een ‘onaanvaardbare discriminatie’. Nochtans heeft het Zaventemse bestuur goede sociale redenen om de maatregel op te leggen: wie in Vlaanderen geen Nederlands wil leren hypothekeert de mogelijkheid om te communiceren en wie niet kan communiceren sluit anderen uit of wordt zelf uitgesloten. Dat bevordert geenszins het harmonische samenleven. Daarom de keuze voor minstens één gemeenschappelijke taal, met name de voertaal van het gewest. De onwil om Nederlands te leren bevordert evenmin de onderwijskwaliteit in de lokale scholen, want de instroom van eentalig Franssprekende kinderen weegt op de taalverwerving en het leerritme van Nederlandssprekende kinderen. Vergelijk met de concentratiescholen in de Vlaamse grote steden: ook daar belandt het debat over de moedertaal in een stroomversnelling. Ook daar wordt het intensiever aanbieden van taalcursussen Nederlands als een middel gezien om de groep als geheel vooruit te helpen: anderstaligen én Nederlandstaligen.
Behalve de terechte Vlaamse angst voor een verdere verfransing van de Brusselse rand in de toekomst is er dus ook de huidige concrete negatieve sociale balans van alledag. Duidelijkheid over welke taal de voertaal is binnen een taalgebied is daarom nuttig, een dwingende taalpolitiek in Vlaanderen verdedigbaar, de vraag om minstens de taalwetgeving te respecteren zinvol en logisch.
Vlakbij de taalgrens, en zeker vlakbij Brussel, blijkt het Nederlands onvoldoende aantrekkingskracht uit te oefenen op Franstaligen om hen spontaan aan te zetten tot het leren spreken ervan. Hen daar faciliteiten verlenen blijkt geen recept te zijn geweest voor talige integratie of minstens tweetaligheid, wel voor de verdringing van het Nederlands en voor de opkomst van taalpolitieke partijen – in tegenstelling tot wat aan de overkant van de taalgrens gebeurde. Ook de afbouw van faciliteiten is daarom verdedigbaar, wil men de logische druk vanuit de grote taalgroep enigszins onder controle houden. Het is een logica die in de meeste taalgebieden met een relatief beperkt geografisch bereik gevolgd wordt. Zelfs in landen met een groot taalbereik trekt men ergens een lijn wanneer een andere grote taalgroep binnenkomt en verdringing dreigt. Pas dit jaar werd in de VS het Engels als officiële taal bekrachtigd. Voordien was dat nooit nodig gebleken, maar de grote instroom van Spaanssprekenden kan zelfs een wereldtaal als het Engels onder druk zetten.
Ook de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde valt om dezelfde redenen te verantwoorden. De splitsing strookt overigens niet met de grondwettelijke indeling van het land in taalgebieden.
Over dit alles moet, zoals eerder gezegd, op federaal niveau worden onderhandeld. Niet via straffe uitspraken in Vlaamse of Waalse regeerakkoorden – wat het equivalent is van niet onderhandelen – of via beledigingen en eenzijdige dreigementen in straffe interviews, daarbij België een accident noemend. Niet met de artillerie op kop, onwillig om compromissen te sluiten of eventuele compensaties in te brengen. Niet overvloedig gebruik makend van de kaakslagretoriek.
Wijlen Hugo Schiltz zocht ooit bondgenoten aan de overkant van de taalgrens. Nu verkiezen Vlaamse politieke leiders – daarin gesteund door nogal wat krantencommentatoren – om te provoceren voor de eigen tribune. Binnen een federale context moeten echter ook de Franstaligen een staatshervorming of de aanpassing van de grondwet nuttig achten. Zoniet kunnen ze te allen tijde de alarmbelprocedure inroepen, elke Vlaamse meerderheid ten spijt. Vlaamse politieke leiders die, zoals Yves Leterme dat doet, gewoon ‘vijf minuten politieke moed’ eisen aan Vlaamse kant om een en ander erdoor te jagen, spiegelen de publieke opinie een leugen voor. Zo werkt het nu eenmaal niet.
Manu Claeys
|