![]() |
|
|
De weg naar het nieuwe politieke midden.
Over polarisatie, strategisch zwijgen en verdraagzaamheid 29 juli 2006 Onder het motto ‘Stop racisme, kleur je stad’ zullen artiesten op 1 oktober optreden in Gent, Brussel en Antwerpen. Hun concerten voor een verdraagzaam Vlaanderen worden een week voor de gemeenteraadsverkiezingen onvermijdelijk ook een statement tegen extreem-rechts. Bart de Wever (N-VA) vindt de concerten daarom geen goed idee. Liefst snoerde hij de artiesten tijdelijk de mond – ‘shut the fuck up’ (De Morgen, 17 juli 2006) – wat nogal een ongelukkige suggestie is in het licht van uitgerekend een statement tegen extreem-rechts. Fundamenteler bedoelt hij: mis de kans niet om strategisch te zwijgen, want zulke concerten verhogen de polarisatie, en daar wordt vooral de democratische rechterzijde – zoals bijvoorbeeld de N-VA – het slachtoffer van. ‘Polarisatie voedt alleen de uitersten’ waarschuwde hij eerder al, tijdens het racismedebat in het Vlaamse parlement (24 mei 2006). Zwijgen een oplossing?
Is strategisch zwijgen om polarisatie te vermijden electoraal productief? Sommigen menen van wel. Professor Thevissen zag in het zich afzijdig houden van het kartel CD&V/N-VA uit de politieke discussies na de dramatische gebeurtenissen in Antwerpen een verklaring voor hun stemmenwinst in zijn opiniepeiling: ‘Door zich boven het gewoel te stellen onderstreept CD&V/N-VA ook in Antwerpen haar serieux, sereniteit en degelijkheid. En dat mist zijn electoraal effect blijkbaar niet’ (Het Laatste Nieuws, 11 juli 2006). Zich politiek niet uitspreken over gevoelige kwesties wordt ervaren als een teken van ernst en degelijkheid. Zwijgen wordt op die manier electoraal goud. Maar leidt dit soort zwijgen ook tot het afremmen van de groei van het Vlaams Belang? Enkele weken geleden noemde Luc Tuymans de CVP nog ‘verantwoordelijk voor de opgang van het Vlaams Blok’ (De Morgen, 17 juni 2006), omdat de partij zweeg toen ze kon en moest spreken. De these van Tuymans is intrigerend, al formuleert hij het misschien wat scherp. Toen de CVP – het tegendeel van wat je een politiek uiterste kan noemen – in de jaren tachtig en negentig in het centrum van de macht zat, besteedde de partij inderdaad meer aandacht aan institutionele, economische en budgettaire thema’s dan aan samenlevingsopbouw, immigratie en het discours van extreem-rechts. Het waren de jaren van de staatshervorming, de Derde Industriële Revolutie (Flanders Technology) en de Maastrichtnorm, van ‘Wat we zelf doen, doen we beter’. Het waren niet de jaren van een moedig integratiebeleid in een plotseling kosmopolitischer en stedelijker Vlaanderen. De partij heeft op dat vlak wel een en ander opgestart, zij het laat en aarzelend. Die houding remde vooral het maatschappelijke debat af over democratische normen en waarden in een snel veranderende wereld, niet de groei van het Vlaams Blok. In Nederland werd toen de slogan ‘Eigen volk eerst’ verboden, omwille van de erin vervatte idee van etnische zuivering - in België was dat niet aan de orde. Nu is het te laat om dat soort slogans en de gewenning eraan uit te bannen. Te polariserend en wellicht getuigend van onverdraagzaamheid. Met Paula D’Hondt kwam kortstondig een Koninklijke Commissaris voor het Migrantenbeleid, maar de CVP bleef hierover verdeeld. De partijleiding stond eerder afwijzend tegenover het aankaarten van het migrantenthema. Tien jaar na de eerste zwarte zondag zei Paula D’Hondt hierover: ‘Een vooraanstaand politicus zei mij ooit over migranten: “Ge ziet toch aan hun kop dat zij geen gewone mensen zijn?” (Het Nieuwsblad, 24 november 2001). Wilfried Martens bevestigde dit in hetzelfde artikel: ‘Na die verkiezingen van ’91 heb ik zeer duistere stemmen gehoord in onze eigen politieke familie. Dat het Vlaams Blok toch gelijk had.’ In november 2000 concludeerde Charta91: ‘Die moeilijkheid om om te gaan met het verschil in culturen, met pluralisme, verklaart de crisis van de CVP-staat.’ Het zou wel eens kunnen. De functie van Koninklijke Commissaris werd al na enkele jaren afgeschaft. Martens noemde dat een paniekreactie: ‘We hebben de wapens veel te vroeg neergelegd.’ In een recensie van zijn biografie wees Kristien Hemmerechts er onlangs op dat ook de premier zelf weinig aandacht had voor de toenemende culturele diversiteit van Vlaanderen: ‘Nergens in het boek wordt naar het bestaan van Turkse, Marokkaanse, Joodse en andere gemeenschappen verwezen. De woorden migrant, asielzoeker en allochtoon ontbreken. De cultuur die in het Vlaamse gewest tot bloei moet kunnen komen wordt voorgesteld als homogeen Vlaams’ (De Volkskrant, 7 juli 2006). Misschien toch maar liever polarisatie dan homogeniteit. In de plaats van het Koninklijk Commissariaat kwam begin 1993 het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, een verenging en een afzwakking. Paula D’Hondt zag liever een Centrum voor Etnische Gelijkheid, met daarnaast een heus integratiebeleid op ministerieel niveau. Dat bleek echter te hoog gegrepen. Het Centrum woog niet langer rechtstreeks op de regering en werd begraven onder allerhande bijkomende opdrachten. Een ernstig beleid rond maatschappelijke integratie liet nog steeds op zich wachten. Aan het samenleven in een onontkoombaar multicultureel Vlaanderen bleef men lippendienst bewijzen – de voortzetting van strategisch zwijgen met andere middelen. Alleen nog maar het voorstel om migranten op te nemen in de ambtenarij stootte op verzet binnen de partij. Uit vrees voor een gebrek aan draagvlak bleven de christen-democraten tot op het eind tegenstander van stemrecht voor migranten. Oproep tot verdraagzaamheid een provocatie?
Dat was vroeger. De CVP veranderde intussen van naam en ging in kartel met de N-VA. De N-VA mikt op de rechts-conservatieve kiezer, waarbij geambieerd wordt om een deel van het VB-electoraat terug te winnen. Een lovenswaardige ambitie en het kartel heeft de beste papieren om daar ook werkelijk in te slagen, beseft zelfs het Vlaams Belang. ‘Alleen het opschuiven naar rechts van de CD&V kan onze positie bedreigen,’ zei Gerolf Annemans jaren geleden al (De Standaard, 6 november 2001). Binnen zo’n context wordt het strategische zwijgen blijkbaar nog meer dan vroeger een noodzaak, om de centrum-rechtse combinatie en de daaraan verbonden ambitie niet in gevaar te brengen. De kartelvorming – de facto een uitbreiding van de CD&V aan de rechterzijde – versterkte nog de christen-democratische weigering om de VB-kiezer voor het hoofd te stoten. Telkens wanneer die kiezer zich geviseerd voelt door een maatschappelijk initiatief of een politieke uitspraak, volgt dus een distantiëring ervan door CD&V of N-VA ‘om de polarisatie tegen te gaan’. Bart de Wever uitte zijn ongenoegen over de concerten voor een verdraagzaam Vlaanderen – diezelfde dag weigerde de CD&V in het Antwerpse OCMW ondersteuning van de lokale actie ‘Zonder Haat Straat’, omdat ze onverdraagzaam oogt jegens de VB-kiezer. Campagnes voor verdraagzaamheid worden inmiddels ook door democratische partijen als polariserend ervaren – hoever kan je gaan in het overnemen van de extreem-rechtse agenda? ‘Het punt waarop rechts extremisme gevaarlijk wordt, valt niet samen met het moment waarop het door electorale winst zijn ideeën kan omzetten in bestuursdaden, maar wel met het moment waarop de publieke opinie haar oorspronkelijke terughoudendheid laat varen,’ schreef zeven jaar geleden een collectief van zestien Leuvense professoren en wetenschappelijke medewerkers. ‘Dat is het moment waarop de huidige meerderheid minderheid wordt’ (De Standaard, 1 juli 1999). Of het moment waarop het centrum naar rechts opschuift, zou je eraan kunnen toevoegen. In een poging de kool en de geit te sparen verklaarde de CD&V dat ‘particulieren en zelfs bewoners van OCMW-woningen de affiches wel mogen ophangen, want is niet iedereen tegen haat?’ De strategie van het zwijgen botst immers op afkeuring binnen o.a. de koepel van christelijke werknemersorganisaties ACW – ondanks een minder dikke navelstreng met de partij toch nog steeds de grootste standengroep binnen de christen-democratie. De kop boven het eerste grote interview met nieuwe voorzitter van het ACW Jan Renders loog er indertijd niet om: ‘Solidariteit wordt weer een modewoord’ (Gazet van Antwerpen, 29 juni 2002). De traditionele linkervleugel van de CD&V blijft inderdaad minstens een centrumkoers eisen. De koepel was een van de initiatiefnemers van de actie ‘Zonder Haat Straat’. In haar verkiezingsmemorandum vraagt het Antwerpse ACW steun voor zwakkere groepen zoals asielzoekers. Al jaren bepleit het ACW een soepeler immigratiebeleid, in de eerste plaats voor meer humanitaire immigratie. Het ACW stapte daarom mee op in de betoging voor mensen zonder papieren, onderschreef het wetsvoorstel van UDEP en steunde het kerkasiel. Voor de CD&V is een nieuwe regularisatieronde echter geen optie. Te polariserend. Centrum-rechts of centrum rechts?
In het tijdschrift Meervoud (november/december 2002) noemde Theo van Heijst de CD&V een makelaar tussen belangengroepen: ‘Interne democratie, ideologie of implementatie van het partijprogramma zijn niet zo belangrijk als het winnen van verkiezingen.’ In datzelfde artikel noemde hij ‘centrisme’ een ‘eufemisme voor centrum-rechtse partijen’ die het ideologische profiel meestal afzwakken ‘ten gunste van een gematigd, pragmatisch en zelfs “managerieel” programma.’ De kartelvorming met het N-VA heeft ook van de CD&V een centrum-rechtse partij gemaakt. Of misschien moeten we het anders formuleren: het politieke centrum in Vlaanderen is formeel opgeschoven naar rechts – meegezogen door de internationale vrije-marktinjectie in de politiek én door de groeiende extreem-rechtse onderstroom in Vlaanderen. De grote linkse partijen schoven overigens mee op in de richting van het nieuwe midden. Het ‘manageriële’ programma waar Van Heijst naar verwijst versterkt deze tendens: tegenover het als emotioneel (migratie, milieu), politiek-correct (privacy, discriminatie) of economisch onrealistisch (mobiliteit, arbeid) beschouwde denken van links-progressief Vlaanderen plaatst men het focussen op een zakelijk en nuchter bestuur. No-nonsense verdringt naïviteit, cijfers vervangen woorden: het strategische zwijgen over heikele thema’s krijgt er een extra-positieve dimensie door. De op 10 juli 2006 gelanceerde toekomstvisie ‘Vlaanderen in actie’ van de regering-Leterme bevestigt deze optie. In de Kleurennota van de regering-Dewael was er nog aandacht voor de multiculturele samenleving. Niet zo in het nieuwe actieplan. ‘Binnen de meerderheid worden vragen gesteld of het hele Businessplan niet te economisch is en te weinig sociaal,’ meldde Liesbeth van Impe nog voor het plan werd voorgesteld (De Morgen, 1 juli 2006). ‘Dat het een stem zou geven aan de onmacht, laat staan een antwoord zou bieden op de maatschappelijke onrust, lijkt nu al weinig waarschijnlijk.’ Een week later vulde Bert Anciaux die kritiek concreter in: ‘Op het Martelaarsplein wordt in de eerste plaats puur economisch gedacht. Yves onderschat enigszins de niet-economische sectoren’ (De Standaard, 5 juli 2006). In zijn elfjuli-toespraak waarschuwde Norbert de Batselier voor ‘eng economisme’, verwijzend naar het plan. Hij miste impulsen ‘die meer dan louter economisch zijn’. Dat economisme vormt ook de onderbouw voor het kartelstreven naar meer autonomie voor Vlaanderen: Vlaamse centen worden onvoldoende efficiënt beheerd binnen Belgisch verband en daarom moeten er twee rekeningen komen. Deze analyse leeft veel minder uitgesproken ter linkerzijde. De retoriek over Vlaamse geldstromen naar Wallonië nog minder. Of gescheiden geldbeheer ook tot een echtscheiding moet leiden – tot wat enkele CD&V’ers in 2004 een ‘big bang’ noemden – is voor de meeste CD&V’ers dan weer verre van een uitgemaakte zaak. Zeker niet voor, opnieuw, het aan de unitaire structuren gehechte ACW, dat ook omwille van de solidariteitsgedachte niet gelooft in mercantiel nationalisme en een rijk Vlaanderen dat op zichzelf terugplooit. CD&V en N-VA zoeken momenteel naar overlappingen tussen hun confederale en separatistische modellen. De geloofwaardigheid van het kartel zal in 2007 voor het eerst echt getest worden, wanneer beide modellen tegelijk aan de kiezer verkocht moeten worden. Het Vlaams Belang weet dat. Niet toevallig richtte de partij onlangs nog een oproep aan het kartel om ‘een weigeringsfront te vormen tegen de Belgische status-quo’ (18 juli 2006), goed wetende dat de CD&V nooit zover kan gaan zonder zichzelf op te blazen. Er is overigens, behalve het communautaire en het multiculturele, nog een domein waar het Vlaams Belang rechtstreeks de krachtmeting zal aangaan met het centrum-rechtse kartel: het levensbeschouwelijke. We hebben het dan over ethische, morele, culturele kwesties waar een belangrijke groep Vlamingen – inclusief vele migranten – conservatieve keuzes genegen is: het traditionele gezin, vrouw aan de haard, autoritarisme, sterke leiders, conformisme, afwijzing van onderhandelend opvoeden, soft-drugs niet gedogen, twijfels over abortus, euthanasie of stamcelonderzoek, kunst met goede smaak, games zonder geweld, enzovoort. Het belang van de electorale strijd om die groep neemt allicht toe in de volgende stembusgangen. Extreem-rechts ziet er een derde wingewest, nadat het eerder met volksnationalisme inbrak op de Volksunie en de socialisten. De ingrediënten zijn herkenbaar: er heerst verwarring en onzekerheid, er is irritatie over wat als afwijkend gedrag ervaren wordt (‘alles kan alles mag’), er is een vijandbeeld (de ‘linkse kerk’), er is een vraag naar normherstel. Liberalen, socialisten, groenen én het ACW beseffen dat hier ook voor hen veel op het spel staat. Niet anderen (Walen, migranten) vormen het mikpunt, wel zijzelf en de emancipatie die ze voorstaan. Deze strijd bedreigt hun project, hun ideologie veel meer nog dan het conflict over solidariteit met anderen (‘Eigen volk eerst’) – die er in zekere zin een voorbode van is. Want zo gaat het altijd: eerst is er de externe vijand (parasiet, profiteur), dan de nieuwkomer (binnendringer) en ten slotte de onaangepaste binnenstaander. In interbellum-Duitsland viel de jood uiteindelijk samen met de drie profielen. Proper en veilig?
Door de groei van het Vlaams Blok – als reactie erop (de reactie had ook anders kunnen zijn) – kregen de rechtervleugels van de grote democratische partijen steviger voet aan de grond binnen hun partij. Niet zozeer numeriek in aantal mandatarissen, dan wel vocaal in de communicatie met de kiezer. Met de kartelvorming CD&V/N-VA schoof het politieke centrum ook formeel op naar rechts. Daar wordt de verhoopte groei van de partijen gesitueerd. Daar wordt de komende jaren wellicht de politieke strijd geleverd. Niet alleen inhoudelijk overigens, maar ook qua toon. Want dit is essentieel: de verschuiving naar rechts manifesteert zich behalve in verhoogde aandacht voor de thema’s aangereikt door extreem-rechts ook in het overnemen van haar communicatiestijl. Het is belangrijk dat we dit zien: het samengaan van beide. Vanuit de oppositie drukte het Vlaams Blok+Belang zijn stempel op de politieke agenda én op de manier van aan politiek doen. En zelfs op wat we als democratisch ervaren en wat niet. Deze shift in toon is al een tijdje aan de gang. Naarmate het strategische stilzwijgen jegens de VB-kiezer toenam, groeide het verwijt dat men aan de linkerzijde taboes koesterde. Bijna omgekeerd evenredig ging dit, zoals in communicerende vaten: hoe schroomvalliger de omgang met de VB-kiezer werd, hoe luider het kabaal over een minstens even grote groep kiezers aan het andere eind van het politieke spectrum.
We kennen intussen de slogans: weg met de taboes, met het politiek correcte denken van weldenkend links, met de wereldvreemdheid en het niet willen zien van de problemen. Weg ook met de te ingewikkelde voorstelling van zaken, met de kritische analyses die niet op 1 A4 kunnen, met beleidsvoering die je nauwelijks uitgelegd krijgt. Mensen willen geen nuances, is de redenering, wel krachtige formuleringen die meteen ook de daadkracht van de spreker in de verf zetten. Mensen willen resultaten. Als die onbevredigend zijn, is het de schuld van de politiek. Wie waarschuwt voor polarisatie moet deze hang naar versimpeling mee in rekening brengen, evenals evoluties in de media (korte communicatie) en de politieke marketing (verpersoonlijkte campagnes in plaats van ideologie, zoektocht naar enkele slagwoorden die de verkiezingsstrijd domineren) die dat in de hand werken. Belangrijke vraag bij dit alles: welke keuzes zal het nieuwe politieke midden hier maken? Laten we eens kijken naar de opgestarte campagnes voor de eerstkomende verkiezingen. Op 24 juni 2006 stelde het Vlaams Belang in een verkiezingscongres de twee peilers van haar campagne voor: ‘Proper en veilig’. Bij lokale verkiezingen koppelt het Vlaams Belang stelselmatig ‘veiligheid en vuiligheid’ aan elkaar, ook al hebben beide objectief weinig met mekaar te maken. In de gesuggereerde aanpak hoor je alleen over een zero-tolerantie, niet over preventie – terwijl criminaliteit en vervuiling toch deels sociaal-economische oorzaken hebben. In de eerste helft van zijn slottoespraak had Filip Dewinter het over die harde aanpak bij het bestrijden van de criminaliteit (over preventie werd opnieuw niets gezegd), de tweede helft besteedde hij aan het bekritiseren van de slogan ‘diversiteit is de toekomst’. De borstel dient ook om de vreemdelingen buiten te borstelen. Vandaar dat ‘veilig’, wanneer je het over ‘proper’ hebt. Immigratie en hygiëne zijn al eeuwenlang vaste prik bij politieke stemmingmakerij over nieuwkomers – en niet alleen ter rechterzijde. Antwerpen vuilnisbak van Vlaanderen, asielzoekers als meeuwen op een stort, Waalse ratten rolt uw matten: opgeruimd staat netjes en wie een zuiver land wil moet ontsmetten. In het voorjaar van 2003 suggereerde extreem-rechts in Frankrijk nog dat hoofddoeken in scholen verboden moesten worden ‘als hygiënische maatregel’. Hoofddoeken-entr’acte over echte polarisatie. Op 19 juli 2006 stelde Vlaams Belang Borgerhout zijn verkiezingsprogramma voor. Een van de voorstellen: het dragen van een hoofddoek is verboden voor iedere burger die zich aan het districtsloket aanbiedt – over keppels of andere religieuze kledij werd niets gezegd. Democratie als middel om een specifieke groep buiten te houden op basis van selectieve beoordeling van uiterlijk. Kan tellen in het kader van: sneuvelende taboes. Behalve Groen! zag geen enkele partij graten in dit politieke rondje Marokkanen-pesten. Alweer volgde een breed stilzwijgen. De gewenning is blijkbaar totaal. Sommige partijen zeiden: we besteden er geen aandacht aan, want we willen niet dat extreem-rechts ons een agenda opdringt. Alsof wie zwijgt agenda’s tegenhoudt. Origineel, kopie of herijking?
Al sinds het prille begin is bij de Antwerpse verkiezingen de twee-eenheid ‘Veilig en proper’ een breekijzer van het Vlaams Blok. Op 23 april 2006 organiseerden de CD&V en de N-VA van Antwerpen hun gezamenlijk programmacongres. Twee verkiezingsthema’s werden er naar voor geschoven: veiligheid en properheid. ’s Avonds op de televisie zagen we de kopstukken de borstel hanteren om voetpaden schoon te vegen. In de kranten lazen we dat het kartel naar eigen zeggen ‘voor een ommekeer in het Antwerpse beleid’ wilde zorgen. Concreet dacht de CD&V hierbij aan duidelijke regels en ‘geen twijfelende middenweg’ meer. Een ommekeer aankondigen betekent: zeggen dat de huidige coalitie geen goed werk levert en dat je in de beeldvorming jezelf tot aan de verkiezingen buiten die coalitie geplaatst wil zien – zoals de oppositie. Niet toevallig behoren veiligheid en properheid in Antwerpen niet tot de portefeuilles van CD&V-schepenen, wel tot die van democratische concurrent VLD en handig meegenomen schietschijf Groen! aan de linkerzijde. Populisme vormt de humus voor dit soort campagne. In de nationale CD&V-discussienota ‘Respect in onze steden’ (juni 2006) wordt nog eens verduidelijkt hoe die ommekeer er moet komen: ‘Pijnpunten aanpakken veronderstelt afstappen van een sterke grondstroom die lage scholing, langdurige werkloosheid, verslaving, criminaliteit, armoede … al te makkelijk toeschrijft aan de sociaal-economische “achterstelling” en/of etnisch-culturele achtergrond van mensen, ongelijkheid van kansen, uitsluiting, discriminatie.’ In de nota staan heel wat waardevolle analyses over het sociaal-economische kader, maar in de concrete voorstellen wordt de klemtoon gelegd op een super-nanny-aanpak, met een pakket aan huisregels, straffen en beloningen. Dit gaat gepaard met een evolutie naar een kleinere overheid: ‘Een respectvolle stad is een bescheiden stad die uitblinkt op haar kerntaken als properheid, veiligheid, goede regels stellen en deze ook handhaven met werkstraffen en boetes; puike dienstverlening én het creëren van de randvoorwaarden voor meer economische activiteit, jobs, ruimte voor gezinnen om te wonen, zich te ontspannen.’ Zoals ook het Vlaams Belang dat bepleit. Vegen nieuwe bezems ook hier schoon? Is het kopiëren van het VB-programma en het zich distantiëren van een gevoerd beleid waar je zelf jarenlang je stempel op drukte moedig of overmoedig? Biedt je door thema’s, toon en terminologie van extreem-rechts over te nemen weerwerk, of legitimeer je alleen maar een stem voor het Vlaams Belang? Gaat het om het recupereren van politiek terrein door een herijkende matiging ervan, of om een banalisering van extreem-rechts? Haal je kiezers terug door hen te bevestigen in hun gelijk om voor het origineel te stemmen? Voor Antwerpen specifiek: is het in de huidige situatie – alle democratische partijen vormen samen een grote coalitie – verstandig om als democratische partij het gevoerde beleid op belangrijke thema’s een onvoldoende te geven? Is het intellectueel eerlijk om dit te doen op basis van wat extreem-rechts naar voor schuift en wat leeft bij de VB-kiezer? Want de geleverde inspanningen (performanter politie-apparaat, grote investeringen in afvalophaling) en het cijfermateriaal (dalende misdaadstatistieken, dalende afvaltonnage) vertellen een ander verhaal. Nog geen succesverhaal, maar wel een positieve tendens. Waarom het onjuiste beeld versterken van een onder criminaliteit gebukt gaande stad? Waarom die grote meerderheid van Antwerpenaren die er samen in slaagden om de afvalberg drastisch terug te dringen en en passant ook nog eens de beste afvalscheiders van Vlaanderen werden geen compliment geven in plaats van hen over één kam te scheren met de kleine groep Antwerpenaren die nog niet meewerkt? Waarom focussen op de halflege fles, in plaats van trots behaalde resultaten in de kijker te zetten? Wat verzwijgt het zwijgen?
Wanneer partijen over sommige kwesties strategisch zwijgen in hun omgang met de VB-kiezer – om niet te polariseren – wordt de sleutelvraag: wat denken ze echt? Wat willen ze dan wél kwijt in hun communicatie met die kiezer? Welke boodschappen willen ze overbrengen? Antwoorden krijgen of vinden hierop is essentieel in een democratisch debat. We mogen dat debat en partijlijnen niet laten bepalen door wat Wilfried Martens ‘duistere stemmen’ noemde. Zwijgen is nooit neutraal. Het versterkt wat niet en wat wel gezegd wordt, bijvoorbeeld in een campagne. Het bevestigt of ontkracht gemaakte keuzes. Als dat keuzes zijn waar wellicht ook het VB-electoraat zich in kan vinden, kunnen oproepen tot meer verdraagzaamheid tijdens een verkiezingsronde inderdaad contraproductief zijn voor de eigen politieke ambities. Dan wordt het zaak om die oproepen zelf publiekelijk mee verdacht te maken, door ze bijvoorbeeld in de linkerzijde te situeren. Wie polariseert dan? Kunnen het nieuwe centrum of de democratische rechterzijde echt geen eigen stem vertolken tussen beide polen in? Zwijgen kan een manier zijn om dubbelzinnigheid te camoufleren. In 1992 diende CVP’er Marc van Peel samen met mandatarissen uit andere partijen resoluties in waarin het ideeëngoed van het Vlaams Blok veroordeeld werd. Een jaar later sloot zijn partijgenoot Leo Delcroix samenwerking met extreem-rechts niet uit – hij behoorde tot een kleine minderheid. In 2002 herhaalt CD&V’er Van Peel dat het cordon sanitaire behouden moet blijven; dat is ook de officiële partijlijn. Kartelpartner N-VA is nochtans tegen het cordon, al wordt steevast toegevoegd dat het zelf geen coalities wil aangaan met extreem-rechts. N-VA’er Geert Bourgeois lanceerde in februari 2000 zelfs nog een voorstel om niet-democratische partijen te verbieden. In het voorbije voorjaar verklaarden enkele CD&V-burgemeesters dan weer dat ze wél met het Vlaams Blok wilden samenwerken, als dat hun eigen manoeuvreerruimte in de beleidsvoering ten goede zou komen na 8 oktober. Nog meer CD&V’-mandatarissen noemden het cordon achterhaald. Waarop ACW-nationaal een persbericht verstuurde dat wie met het Vlaams Belang onderhandelt de ACW-steun verliest: ‘Vlaams Belang staat een samenleving voor die radicaal het tegenovergestelde is van de samenleving die wij vooropstellen’ (16 maart 2006). Het politieke centrum in Vlaanderen is formeel naar rechts opgeschoven. In dat nieuwe centrum groeit de empathie met de VB-kiezer, het begrip voor een extreem-rechtse stem en de weerstand tegen het cordon sanitaire. Misschien speelt ook dit mee in de groeiende weigering van velen om te zwijgen. Manu Claeys |
|