Beeldvorming & Werkelijkheid

Drie dagen nadat burgemeester Leona Detiège en haar schepenen hun ontslag hadden aangeboden was professor Etienne Vermeersch te gast in een interessante - in de betekenis van 'veelzeggende' - aflevering van De Zevende Dag (16 maart 2003). Op de hem eigen, wat cabareteske wijze maakte interviewer Siegfried Bracke zich kwaadvrolijk over het gebeuren in Antwerpen. Hij hekelde het feit dat 'noch lokale noch nationale partijvoorzitters naar de studio wilden komen voor tekst en uitleg'. Zelf vond ik dat laatste begrijpelijk: in verwarrende tijden vergaderen politici beter niet in een televisiestudio. 'Gelukkig,' zo ging hij verder, 'als de politiek het laat afweten, zijn er nog altijd gewone slimme mensen die over de toestand hun licht willen laten schijnen.' Dat leek me dan weer een vreemde, niet van enige aanmatiging of populisme gespeende aanzet tot een debat, ook al moeten we het allemaal plaatsen, zo weten we intussen wel, in het kader van het lichter verteerbaar maken van 'de politiek' (die het dus liet afweten).
Etienne Vermeersch liet zich niet van zijn stuk brengen. De leden van het college hadden volgens hem niets onwettelijks gedaan en er was geen sprake van fraude of gesjoemel. 'Vergelijk overigens hun 190.000 Belgische franken onkostenvergoeding met de 720.000 franken forfaitaire vergoeding die parlementairen zoals Filip Dewinter jaarlijks krijgen.' Parlementairen die klagen over het Antwerpse systeem moesten, zo vond hij, toch tenminste de moed en de eerlijkheid hebben om het eigen systeem in vraag te stellen. Op geen enkel moment hoeven ze verantwoording af te leggen voor de maandelijkse 1500 euro die ze krijgen. 'Ze kunnen er zelfs een call-girl mee bestellen.' Lees: Dewinter is een hypocriet, en velen in de pers, de politiek en het publiek zijn dat met hem.
Centrale factoren in de kwestie van het afgedwongen ontslag waren inderdaad de manipulatie van perceptie en realiteit en het hanteren van twee maten en twee gewichten. Om de absurditeit van de Antwerpse politieke storm nog wat beter in de verf te zetten had de professor het ook kunnen hebben over het dubieuze fiscale statuut van de parlementaire kostenvergoeding (ingevoerd als belastingontwijkende compensatie voor de afschaffing van de belastingsvrijstelling op de helft van het loon), over het gebrek aan parlementaire controle op een kwart van het uitgegeven belastinggeld en over het buitensporige absenteïsme van sommige volksvertegenwoordigers. En in de weken na de uitzending slaagde de Kamer er ook nog in het vereiste quorum niet te halen om een wet goed te keuren die duizenden publieke gezagsdragers - incluis de Antwerpse schepenen - ertoe zou verplichten om hun vermogen en alle mandaten die ze bekleden kenbaar te maken, terwijl dat geen enkel probleem vormde toen korte tijd daarvoor de verdubbeling van het parlementair vakantiegeld gestemd moest worden. Dienen daarom nu - om de terminologie te respecteren van het Vlaams Blok, een aantal editorialisten én een hoop top-politici uit democratische partijen - de 'stallen' van het parlement collectief 'uitgemest'? Lees: wanneer en waarom kan wie wat verwijten aan wie, waar is de zin voor verhoudingen en wat zijn de verborgen ideologische of andere agenda's bij zoveel gemoraliseer?
Voor zijn hekelen van de dubbele standaard kreeg de professor een spontaan applaus. Siegfried Bracke keek verwonderd om zich heen. Heel merkwaardig vond hij dat. 'U krijgt daar nu applaus voor. Ik vind dit een beetje vreemd, want nu krijg ik het gevoel dat we maar een beetje milder moesten zijn.'

Editoriaal snelrecht

Toen Leona Detiège op 13 maart het collectieve ontslag van haar team aankondigde, zei ze drie dingen: 'We menen niet dat we als college in de fout zijn gegaan. Maar normaal functioneren ging nu eenmaal niet meer. Onder meer door de manier waarop dit in de pers behandeld werd. De pers regeert mee, ja.' Geen fout, niet langer normaal kunnen functioneren, de pers. Om half acht die ochtend had Vlaanderen in het persoverzicht op de radio een bijna unanieme eis tot ontslag gehoord. Als enige krantencommentator had Yves Desmet het over 'een hetzerig persklimaat, waarin de zin voor verhoudingen compleet zoek is' (De Morgen). De volgende dag zette hij een en ander op een rij: 'De manier waarop politici worden aangepakt en waarop ze reageren, is niet normaal meer te noemen. Als puur opgejaagd wild storten ze zich als lemmingen in de afgrond, waarbij als norm voor zuiverheid, integriteit en daadkracht nu blijkbaar een wedstrijd "om het eerste ontslag nemen" geldt. Want alleen zulke spectaculaire gestes kunnen voortaan nog de honger stillen van dat magische beest dat luistert naar de naam publieke opinie.' Hij maakte de vergelijking met de Fortuyn-democratie en hoopte dat 'een klein beetje zin voor verhoudingen in de mentaliteit van de Sinjoren weer de bovenhand krijgt op het bijna hysterische antipolitieke dat nu als een uitslaande brand carrières heeft verwoest van mensen die hooguit een flinke tik op de vingers verdienden' (idem, 14 maart).
Nog een dag later raadde hij de politici aan even de tijd te nemen om weer bij hun positieven te komen en zich niet te laten opjutten. 'Het gaat om de toekomst van Antwerpen, bij uitbreiding om de toekomst van de politiek zelf. In functie daarvan moet je een keuze maken, en niet in functie van de deadline van het volgende radio- of tv-nieuws' (idem, 15 maart). Dat was de dag voor Siegfried Bracke zich afvroeg waarom de politici wegbleven uit zijn studio. Wie wél in De Zevende Dag had willen zitten was de editorialist van de Gazet van Antwerpen, die verontwaardigd en wellicht terecht opmerkte dat de enige volwaardig Antwerpse krant niet uitgenodigd werd voor het journalistendebat. 'Helemaal vreemd als je bedenkt dat uitgerekend Gazet van Antwerpen met haar berichtgeving aan de basis ligt van deze politieke crisis en de voorbije weken, met primeur na primeur, het Antwerpse nieuws heeft gemaakt' (15 maart).
Met primeur na primeur, alsof het Watergate betrof, had de pers inderdaad het nieuws gemaakt. Ze had zich in één beweging ook in de plaats van de justitie en het electoraat gesteld door als zelfverklaarde vertolker van de publieke opinie rechtspraak te plegen. Je zou het als de kortste weg kunnen bestempelen tussen de scoop en de coup. Een week later verklaarde Mark Elchardus hoe dat in zijn werk ging. 'Veel journalisten zijn er zich oprecht van bewust dat ze moeten reageren tegen de groei van extreem-rechts, maar één affaire zoals die van de voorbije dagen volstaat om de indruk te wekken dat de hele Vlaamse pers in dienst van het Vlaams Blok werkt. We kunnen niet van een mediacomplot spreken, wel van een soort raderwerk of kettingreactie. Ze denken in te gaan op de bekommernissen, de angsten, zelfs de malaise van de mensen door vage verklaringen te brengen' (Le Vif/L'Express 21 maart).
Om de angst te counteren en op basis van die vage verklaringen wordt vervolgens een 'spectaculaire geste' gevraagd of, beschaafder geformuleerd, een 'sterk signaal'. Wie dan nog blijft zitten, is een zwakkeling.
Journalisten hebben graag dat partijen dreigen met opstappen uit een regering. Dat is een sterk signaal, het duidt op een ernstig conflict, het betekent een dramatisch kantelpunt en mogelijkerwijs het begin van een nieuw tijdperk. Volgens communicatiewetenschappers Dave Sinardet en Davy Janssen 'beschouwen de media het politieke gebeuren vooral in termen van een zero-sum game. Daarbij beklemtonen ze in de berichtgeving niet hoofdzakelijk het inhoudelijk beleid maar wel de strijd tussen politieke partijen en prominenten, waarbij de winst van de ene automatisch het verlies van de andere impliceert. De dynamiek van het spel wordt zo belangrijker dan de inhoudelijke standpunten van de actoren' (De Morgen 3 april).
Ontslag nemen of opstappen kan zinvol zijn, maar wanneer in momenten van crisis een partij beslist dat toch niet te doen, worden politici op stang gejaagd, liefst in het kader van een ideologisch geweten dat knagen moet en met geijkte termen als 'geloofwaardigheid', 'hypocrisie', 'profileringsdrang' of 'machtshonger'. Vooral kleine regeringspartners liggen hierbij gemakkelijk onder vuur, omdat ze wegens minder gewicht in de schaal meer dan de anderen compromissen moeten sluiten. Zo kon recentelijk Agalev wel uitleggen dat de aanwezigheid van de partij in de regering volgens eigen aanvoelen een verschil betekende in de positiebepaling rond de wapenexportwet of de Irak-crisis, toch bleef menig journalist hameren op de 'zwakheid' van de groenen rond Nepal en de Amerikaanse militaire transporten. Het punt is dat een sterk signaal niet altijd gelijk is aan een sterke daad, of anders gezegd: opstappen is niet altijd een teken van durf, lef of inzicht. Ook op basis van een onverstandige evaluatie of van gebrek aan moed (de beeldvorming!) kan beslist worden om sterke signalen uit te sturen.
Soms is op post blijven sterker en zinniger dan opstappen. Zo probeert diezelfde kleinste regeringspartner - maar ook de Volksunie vroeger of het Nederlandse D66 nu - vaak te verduidelijken dat wie wil meeregeren net niét moet opstappen zolang je als partij de indruk hebt dat je aanwezigheid een meerwaarde betekent voor een concrete problematiek en dat je invloed blijft uitoefenen op de richting waarheen een dossier gaat, ook al kan je daarbij niet onverkort achter je principes blijven staan. Pacifisme is een centraal concept binnen het ecologisme. Aan wapenakkoorden sleutelen of wapenleveringen in vraag stellen binnen de regering is dan ook in het belang van de vredesbeweging, en sterker dan verontwaardigd vanaf de zijlijn roepen. Een verstandige achterban weet immers dat de strijd voortijdig opgeven abdicatie betekent of, erger nog, contraproductief kan werken voor de eigen electorale slagkracht. 'Dat beseft leeft bij Agalev,' schreef De standaard in verband met het radicale verzet van Kamerlid Peter Vanhoutte tegen de wapentransporten, 'want het had kunnen pronken met de houding van de Belgische regering in de oorlog tegen Irak. Vanhoutte bracht vooral in de kijker dat de groenen er niet in zijn geslaagd de Amerikaanse transporten tegen te houden' (5 april).
Ontslag indienen of uit een regering stappen doe je dus alleen wanneer daar een zeer goede reden voor bestaat. Volgens velen was die reden er in het geval van het Antwerpse college. Bart Sturtewagen vatte het zo samen: 'Het college was zeer duidelijk niet bij machte het hoofd te bieden aan een aanzwellende crisis. De Visa-affaire zou van generlei betekenis zijn geweest als het bestuur krachtig was opgetreden tegen de normvervaging en de tot regelrechte fraude misgroeide gewoonten in administratie en politie' (De standaard 31 maart). Hij verzette zich dan ook tegen een revisionistische benadering: 'Gebrek aan leiderschap veroorzaakte het vacuüm waarop de antipolitiek teert, niet andersom' (idem). Ook toekomstig burgemeester Patrick Janssens vond dat het college niet gevallen was naar aanleiding van de Visakaarten maar omdat 'een aantal topambtenaren en het hoofd van de politie geschorst werden, en men niet krachtdadig had opgetreden' (in Polspoel & Desmet 2 april). Hij werd daarin bijgetreden door de commentator van Het Laatste Nieuws, Luc van der Kelen: 'Die schepenen moesten niet aftreden wegens die Visa-kaarten, maar omdat ze het systeem niet meer beheersten' (Knack 16 april 2003).
Die uitleg klopt niet alleen niet maar heeft ook een hoog postfactum-gehalte. Het is net hetzelfde als halfweg de Irakoorlog overschakelen van ontwapening naar regimeverandering om je eigen agressie te verantwoorden. In alle editorialen werden de kredietkaarten als breekijzer of hoofdargument gehanteerd om ontslag te eisen. De eis kwam er de dag nadat schepenen tekst en uitleg hadden gegeven bij het gebruik van hun kaart. De kantelmomenten waren het bezoek van Filip Dewinter aan de stadsontvanger, zijn zwaaien met de Visa-uittreksels en zijn voorlezen van de lijst schepenuitgaven op de gemeenteraad. Dat alles onder het licht van de camera's. Dát was de beeldvorming. Daarom gooiden schepenen de handdoek in de ring; ze waren de persoonlijke beledigingen over hun integriteit beu, niet eventuele inhoudelijke kritiek op hun beleid. Dát ook zal bijblijven, tot aan en na de verkiezingen. Voor de publieke opinie is het schepencollege afgetreden omwille van de persoonlijke uitgaven, niet omwille van fraude bij de politie en in de ambtenarij. Wanneer het Vlaams Blok op 18 mei een bonus incasseert, zal dat in Antwerpen alvast vooral op basis van de gecreëerde schandaalsfeer rond individuele politici zijn en niet zozeer wegens een falend beleid of gebrek aan leiderschap. Een radiojournalist had het over hilarische onkostennota's, een ander roosterde een politicus met een paar gemakkelijk vragen over het besteden van 'gelden van de gemeenschap'. Een televisiereporter verklaarde voor de camera dat hij het gedrag van het schepencollege toch echt niet meer begreep (gehoord in TerZake). De volgende avond polste zijn collega of het erkennen van schuld (wat de betrokken schepenen overigens niet hadden gedaan) wel genoeg was.
We moeten dit geen evenwichtig proces over competentie noemen, wel een snelrechtprocedure waarbij over goed en kwaad geoordeeld werd. Als het concrete ontslag werkelijk terug te voeren is tot het niet kunnen beheersen van een crisis, waarom zijn dan drie specifieke collegeleden geëlimineerd en kwam de rest terug? Treft hen misschien meer schuld voor de bestuurlijke onmacht? Wat maakte hen in deze context tot de zwakke schakels van het regime? Toch hun gebruik van de kredietkaarten en de verklaringen die ze daarover aflegden, niet? Of wat hebben de drie schepenen meer dan de anderen te maken met het niet kunnen bedwingen van mogelijke fraude binnen de ambtenarij of de politie? Zijn het niet - met alle respect - de teruggekeerde schepenen Van Peel en Bungeneers die respectievelijk de domeinen personeelszaken en financiën beheerden? Hoe kun je overigens het schorsen van topambtenaren en politiecommissarissen 'niet krachtdadig' noemen? En wat betekent 'niet bij machte' in tijden van geruchten en gerechtelijk onderzoek? Dan verdienen de beschuldigden binnen de administratie en de politie toch het voordeel van de twijfel, en dus een correcte, eerder afwachtende behandeling door het college?
In de plaats daarvan verengden journalisten een ingewikkelde kwestie tot wat lezers en kijkers begrijpen, en schreeuwde men moord en brand over smokings, mantelpakken en handtassen ('tailleurkes' en 'sacoches' in populistisch Vlaams). Succes verzekerd. Geen 'vage verklaringen', zoals Elchardus dat noemde, maar wel straffe verklaringen op basis van halve waarheden en leugens: dat is het recept voor stemmingmakerij. De parfum die schepen Lindekens zou hebben gekocht bleek nadien helemaal geen parfumflacon te zijn voor eigen gebruik maar een relatiegeschenk uit winkel Parfuma. De 'sacoche' van schepen Pauwels was in werkelijkheid een aktentas voor het werk. Het zogenaamde weekendje privé-vertier van schepen Coolsaet in het Brugse hotel De Snippe was dan weer een businessdiner in het kader van haar politiek mandaat. De 'dameskledij' die politiecommissaris Lamine had aangeschaft was een jasje en een rok die hij namens het korps als huwelijkscadeau gaf aan zijn secretaresse omdat ze uren overwerk had gepresteerd zonder die aan te rekenen (ze kreeg van hem ook nog een persoonlijk, zelf betaald geschenk). Als promo- en propagandadienst van extreem-rechts heeft de pers de persoonlijke aantijgingen van het Blok klakkeloos overgenomen en die inderdaad aangewend om een oordeel uit te spreken over het beleid. Dat soort verdachtmakingen achteraf nog rechtgezet krijgen bij de publieke opinie is onbegonnen werk, tenzij pers en politici gezamenlijk die beeldvorming bijsturen.
'De affaire toont aan hoe lelijk een incident uit de klauwen kan lopen - het moet zijn dat het klimaat er rijp voor was,' schreef Marc Reynebeau in Knack (26 maart). 'Zo groeide een praktische regeling over de betaling van kosten uit tot een absurde karikatuur en valt ze onmogelijk nog op een redelijke en geloofwaardige manier uit te leggen.'
Ik heb tot op heden geen enkel overtuigend argument gehoord waarom een van de werkelijke uitgaven zelfs maar onredelijk zou zijn, op dat deel van de geboortekaartjes na die schepen Coolsaet vanuit haar functie als schepen verzond. Het inbrengen van bepaalde kosten eigen aan het ambt (= het uitoefenen van het beroep creëert de kost) was misschien onverstandig, maar niet onredelijk laat staan frauduleus. Een inschattingsfout maken - advocaat Piet van Eeckhaut gebruikte het interessante concept 'stijlfout' in verband met zijn cliënt korpschef Luc Lamine - betekent niet dat je corrupt of onbekwaam bent. Een degelijk bestuur staat of valt niet op basis van pekelzonden, net zoals een gezin niet disfunctioneel hoeft te zijn omdat moeder een parkeerboete kreeg of vader een dwaze belegging deed.
Ook de grotere context van het Visakaart-verhaal werd gehuld in verzwegen waarheden. Journalisten hadden eraan kunnen herinneren dat het systeem van 'kosten eigen aan het ambt' al bestaat sinds 1986 en dat de kredietkaarten met grensbedragen en inhoudelijke beperkingen begin vorig jaar ingevoerd werden, in overleg met de stadsontvanger en de belastingdiensten, precies om de transparantie - 'We hadden de controles dus verdorie zelfs verscherpt,' dixit Leona Detiège (Humo 1 april) - en de efficiëntie te verhogen. Voordien stak men op elk kabinet uren tijd in het intikken van onkostennota's en het omslachtige beheer van mappen vol bonnetjes en bewijsstukken - de administratieve rompslomp dus waarover de Antwerpenaar zo graag klaagt. Ongebruikelijk is het systeem allerminst. De commercieel directeur van de Bank Card Company, die de Visa-kaarten uitreikt, verklaarde dat er duizenden kmo's zijn 'die via de bank Visa-kaarten laten uitreiken aan hun kaderleden' en dat we mogen aannemen 'dat honderdduizenden Belgen een "Visa-kaart van het bedrijf" hebben' (De Morgen 15 maart).
Zo ontstonden ook vele van de nu gewraakte vzw's in het kader van een nieuwe dynamiek binnen de bestuurscultuur, om soepeler en inventiever te kunnen opereren. Vzw's zoals Antwerpen Congresstad, Kindervreugd, Telepolis of de Zomer van Antwerpen zijn geen semi-criminele satellieten die een eigen leven leiden, maar wel bedrijfseenheden gebonden aan beheersovereenkomsten, met jaarrekeningen en een analytische, precieze boekhouding geverifieerd door bedrijfsrevisoren en gecontroleerd door de gemeenteraad. Dat in een paar vzw's een aantal bestuursleden aan ongeoorloofde zelfverrijking deed, betekent niet dat het systeem op zich grondig fout zit of dat het college te laks was. Overigens heeft bijna elke grote en middelgrote Vlaamse gemeente dergelijke vzw's.
Natuurlijk wil iedereen een zo zuiver mogelijke bestuurscultuur, met liefst zo weinig mogelijk ruimte voor budgettaire interpretatie. Maar door hierbij heiliger te willen zijn dan het Vlaams Blok (uit angst ervoor), rijdt men zichzelf in de vernieling. Men staat toe dat gefocust wordt op soms al-bij-al vormelijke futiliteiten in plaats van de verwezenlijkingen van het bestuur onder de aandacht te houden. Op diverse terreinen waarvoor de stedelijke overheid bevoegd is en zelf effectief een verschil(letje) kan maken, is er veel gebeurd in de voorbije jaren. Van non-beleid is geen sprake, van moeilijk beleid wel. Er zijn ernstige besparingsinspanningen geleverd ter sanering van de stedelijke financiën. Er is een meerjarenplan waarvan de begroting gegarandeerd is. Volgens schepen Van Peel werd 'in soms moeilijke dossiers' zeer veel vooruitgang geboekt (De Morgen 26 maart). In economisch minder voorspoedige tijden blijft de haven relatief goed overeind, ook al is ze kwetsbaar wegens sterk afhankelijk van beslissingscentra die zich ver (multinationals) of minder ver (Nederland i.v.m. noodzakelijke infrastructuurwerken) in het buitenland bevinden. De administratie wordt gemoderniseerd; een nieuw organogram voor de stadsdiensten was in de maak. Het inwonersaantal stijgt opnieuw. Op vele plaatsen in de stad zijn grote infrastructurele werken aan de gang die over pakweg drie jaar al aan Antwerpen een frisser, efficiënter gezicht zullen geven (de Leien, de ondergrondse trein, het Gerechtshof, het Centraal Station, het Schipperskwartier, de nieuwe openbare bibliotheek in het Permekegebouw, de verlenging van de tramlijnen …). Daarbovenop komen de ingrijpende, steeds concreter wordende plannen voor het Eilandje, Nieuw-Zuid, Petroleum-Zuid of het spoorwegemplacement aan de Dam, naast natuurlijk de heraanleg van tientallen straten en pleinen (al dan niet tot eenieders tevredenheid). Op het vlak van onderwijs, cultuur, sport, milieubeleid en jeugdwerking stimuleerde het opgestapte college verregaande inhoudelijke oefeningen (al is het onderwijsaanbod in de Antwerpse binnenstad wel verschraald) en organiseert het heel wat gesmaakte initiatieven voor de bewoners. Het politiekorps boekte successen, in een verbeterde samenwerking met het parket. De nieuwe burgemeester Janssens wijst er terecht op dat al deze pluimen in de toekomst op de eigen hoed steken zeer kortzichtig zou zijn. Politiek is een continuïteit. 'Er zou de komende jaren wel eens iets heel onrechtvaardigs kunnen gebeuren,' beseft hij: 'het is goed mogelijk dat het nieuwe college de vruchten zal plukken van alles wat het vorige college in de steigers heeft gezet' (De Morgen 2 april, zie verderop: dit is vooral een perceptie en uitleg van de linker zijde, niet van diepblauw-rechts binnen het college). Misschien scoort Janssens I inderdaad vooral op de verdiensten van Detiège II, en faalt een volgend college omdat Janssens I tekort kwam.
Zoals in vele steden zijn sommige administratieve gebruiken scheefgegroeid, ontbreken hier en daar waterdichte controlemechanismen of gebeurt niet altijd alles volgens de regels. Maar het omgekeerde geldt ook. In een interview benadrukte Eddy Boutmans, jarenlang secretaris van Agalev-Antwerpen, dat je niet anders kan 'dan vaststellen dat er de voorbije jaren veel is veranderd. We hebben vorig jaar een groot nationaal schandaal gehad over de huisvestingsmaatschappijen. Heb je daar een woord over Antwerpen in gelezen? Neen. Waarom? Omdat we dat hier opgekuist hebben.' Zoals bij heel wat andere door de stedelijke overheid gecontroleerde raden werden ook daar in alle raden van bestuur nieuwe mensen gezet. 'We hebben ook een aantal van de directies vervangen, met inbegrip van "ontslagen wegens duidelijk aangetoonde belangenvermenging". Sinds een jaar of zes, zeven worden de huisvestingsmaatschappijen in Antwerpen dus correct bestuurd. Het is natuurlijk geen nieuws wanneer iemand niet betrokken is bij een schandaal, maar ook het goede mag wel eens in de verf worden gezet' (De Morgen 10 april).

Dubbel onrechtvaardig

De overheid en het goede: de combinatie ervan leidt veel vaker niet dan wel tot een nieuwsitem. Dat is ten dele logisch. Een krant heeft maar zoveel bladzijden, een journaal zoveel minuten. Keuzes dienen te worden gemaakt, waarbij de aandacht van de lezer of de kijker niet mag verslappen. Conflicten trekken die aandacht. Bovendien gaan vakbonden zelden op straat om een minister een pluim te geven, en een schepencollege dat zichzelf een applausje geeft is geen nieuws want verdacht. Ten slotte is de burger ook mondiger geworden, en in het verlengde van hem zijn pers. 'Mensen ondergaan de politiek niet langer, ze stellen er eisen aan, steeds meer zelfs,' schrijft Marc Reynebeau. 'Ze verwachten méér van de politiek en vergeven minder gauw wanneer het fout loopt' (Knack 16 april). Journalisten weten dit en handelen ernaar. Het is die veranderde houding die leidt tot hardere oordelen over politici die, paradoxaal genoeg, in vele opzichten bekwamere en zuiverder bestuurders zijn dan hun voorgangers. Een insider als Karel de Gucht wijst op dat laatste: 'Weet u wat het frustrerende is? Vandaag lijkt de politiek een rotte boel, terwijl de politiek nog nooit zo proper is geweest als nu. Er is ook nog nooit zo hard gewerkt in de politiek als vandaag' (De Morgen 29 maart). Yves Desmet koppelt daar in zijn standpunt van die dag een conclusie aan vast: 'Terwijl in vergelijking met vroegere decennia de normvervaging en de corruptie tot een absoluut minimum gereduceerd is, groeit de antipolitieke stemming, gretig aangemoedigd door een deel van de pers.'
In zijn boek Zerotolerantie tegen criminaliteit eist Filip Dewinter een levenslange straf voor elke drugsdealer die een derde keer wordt betrapt - dat terwijl onze gevangenissen nu al overvol zitten en een grote meerderheid van de Vlamingen belastingverlaging eist. Wie in California driemaal veroordeeld wordt voor welke overtreding dan ook, krijgt nu al levenslang volgens het op het baseball geïnspireerde principe 'three strikes and you're out'. Eenzelfde weinig vergevingsgezind en repressief klimaat domineerde het verloop van de politieke crisis in Antwerpen, wat velen achteraf bijna onvermijdelijk een kater bezorgde, niet alleen omdat de strafmaat niet echt in verhouding stond tot het vergrijp maar ook omdat het besef groeide dat dit iedereen had kunnen overkomen. 'In de politiek zijn we allemaal Antwerpenaars,' zo formuleerde Bert Anciaux het. 'Voor je het weet, ben je het middelpunt van een hetze met alle zoeklichten op je kop. Weinigen kunnen in zulke omstandigheden nog helder blijven functioneren' (De Morgen 5 april). In De Zevende Dag (30 maart) merkte journalist Marc van de Looverbosch op dat 'hier en daar de mensen op de Grote Markt zich beginnen af te vragen: was dat collectieve ontslag wel nodig?' Zijn we niet te ver gegaan, ook in de media? vroeg hij zich af, want politici zijn ook maar mensen.
Omwille van dit dubbele onrechtvaardigheidsgevoel (wanverhouding, willekeur) lijkt het mij dat we er beter aan doen niet zozeer op de cultuur van de kredietkaarten te focussen dan wel op het klimaat waarbinnen die cultuur aangeklaagd werd. Enkele jaren geleden ergerden vele Vlamingen zich aan de manier waarop de Republikeinse partij probeerde om president Clinton te doen opstappen. Ontevreden over zijn beleid gebruikte ze de Lewinsky-methode om een smet te werpen op het karakter van Clinton. Het is een veelbeproefde methode die in een vorig tijdperk een heksenjacht genoemd werd. Je bent jaloers op iemand, je vindt iemand te rijk, iemand boezemt je angst in en dan zeg je: 's nachts danst ze met de duivel. Strafbaar kun je het niet meteen noemen, maar moreel zuiver is het allerminst en wie weet is er wel meer aan de hand.
Uit perscommentaren en uit de reacties van een heleboel Antwerpenaren valt af te leiden dat hier eenzelfde mechanisme speelde. Onderhuids heerste misnoegen over het gevoerde beleid en irritatie over de 'zwakheid' van enkele schepenen. Tussenhuids werd gewezen op het onhandig omspringen met een crisissituatie. Bovenhuids werd het Visa-motief aangegrepen om het team aan de schandpaal te nagelen, en dit om erger te voorkomen (want wie weet…). Vaak hoorde je de opmerking: okee, dat van die kaarten was misschien wat overdreven, maar een echt sterk bestuur kon je het toch niet noemen.
Op dat laatste worden politici doorgaans afgerekend tijdens verkiezingen, niet in tussentijdse razzia's. Regelmatig eist het Vlaams Blok het ontslag van het beleidvoerend team tijdens de Antwerpse gemeenteraad. Het is een oppositietechniek. Deze keer liet ook de vierde macht zich verleiden tot een persplebisciet waaruit ongeduld sprak met de normale procedure, met de geëigende weg van de democratische besluitvorming. Vervelend daarbij is vooral dat de media de eigen macht gebruikte om een politieke wissel te eisen op basis van subjectieve, morele aantijgingen. Zo'n 'uiting van lynchdemocratie', waarbij 'met een nooit geziene panache de in vitriool gedrenkte pennen het politieke schorem naar de afgrond drijven, waar hen de hoon en het misprijzen van de opgezweepte bevolking wacht' (Vera Claes in Sampol april) is relatief nieuw in onze contreien.
Bestuurlijke zwakheden en gemiste kansen zijn er wel degelijk in Antwerpen. Een slordige tot soms onverschillige omgang met het potentieel en de verlangens van verenigingen of bewonersgroepen en het verwaarlozen van de verkeersveiligheid of de kwaliteit van het publieke domein voor kinderen en bejaarden zijn daar niet de minste van - al dient gezegd dat het nieuwe Wijkoverleg wel gesmaakt wordt door vele Antwerpenaren, dat de formule van Stadsgesprekken met bewonersgroepen en het middenveld er veelbelovend uitziet, en dat initiatieven van Opsinjoren bijdragen aan een zichtbare versterking van het sociale weefsel. Anderen zullen, al dan niet terecht, negatieve analyses maken over andere domeinen en soms zelfs van een non-beleid gewag maken. Maar wie een regime verwijderd wil zien om inhoudelijke redenen, moet concreet duiden wie wanneer obstrueert, waar het anders moet om welke redenen, waarom het rapport tegenvalt, enzovoort. Morele zuiverheid inroepen of een accident de parcours misbruiken om een ander doel te bereiken, is een populistisch zwaktebod en behoort evengoed tot de door Elchardus gesuggereerde 'vaagheid' die voor verklaring moet doorgaan.
Voor de geviseerden is dit een oneerlijke strijd, want ze worden geconfronteerd met een emotionele aanval. Naar hun argumenten wordt niet langer geluisterd. Onder druk van het Vlaams Blok is de grens van de morele zuiverheid overigens flink opgeschoven, niet omdat het Blok (of de Republikeinen) zelf zo zuiver is, wel uit angst dat de minste misstap een flinke electorale klim voor de tegenstander betekent. Die tegenstander bepaalt het klimaat door op elke slak zout te leggen. Jarenlang ontlokte dit gerichte negativisme een reflex van mislukkingen toedekken en verstijfd in de lichtbak staren. Het Vlaams Blok verketteren kan natuurlijk geen excuus zijn om jezelf te verschonen. Wie kritiek uit zonder het eigen handelen in rekening te brengen, zal nooit een écht alternatief voor extreem-rechts bieden. Wel integendeel.
Maar nu is de slinger doorgeslagen in de andere richting. Net nu het bestuur dusdanig veranderd is dat er openlijk vanuit de Antwerpse politieke meerderheid zelf een aantal minder frisse praktijken naar boven gespit werden binnen twee vzw's of in verband met een slecht onderhandeld contract, en er eerlijk gecommuniceerd werd over mogelijke wantoestanden binnen administratie en politie, ontstond bij het zwaaien met de Visa-uittreksels door het Vlaams Blok meteen een zuiveringsritueel waarbij het hele bestuur met pek en veren de stad uit werd gejaagd. Opnieuw was het de angst voor de extreem-rechtse proteststem die de respons bepaalde, en niet het geloof in eigen kunnen of het vertrouwen in de redelijkheid. 'Dat in Antwerpen de auto moest omgekeerd worden om de asbak leeg te maken, een kniesoor die daarop let,' merkte Lieven Dejager op in De standaard. 'Het is verkiezingsoorlog en de havenstad moest beveiligd worden tegen de verwachte stormloop van de Blokfedayin' (9 april).
Het publiekelijk afbranden van deze politici en het criminaliseren van dit bestuur is even contraproductief als het onder de mat vegen van specifieke problemen uit angst voor gezichtsverlies. Je kunt namelijk geen dorp bombarderen en het gelijktijdig redden, zo leert ons een van de sleutellessen van Vietnam. In een antipolitiek klimaat levert de politiek als geheel in. Voor de doorsnee-Antwerpenaar die zich weinig voor politiek interesseert heeft inmiddels dan ook elke politicus boter op het hoofd, behalve de zelfverklaarde klokkenluiders van het Vlaams Blok. Voor de niet-zo-doorsnee-Vlaming-met-politiek-talent zal een beleidsfunctie weer wat minder aantrekkelijk geworden zijn, want in de privé-sector wachten hem betere carrièrevooruitzichten en een hogere waardering. 'Ik heb stilaan wel genoeg van die Messiaanse zuiverheidspolitiek in deze stad,' zei een gefrustreerde medewerker op een schepenkabinet. 'De pers laat zich rollen. Jullie hebben maar één bron. Het is het Blok, en jullie trappen er nog in ook. (…) Elke nuance is in deze stad verloren' (De standaard 22 maart).

Van waakhond naar gifslang

'De politiek is mede door de pers steeds verder in de impasse gedreven,' merkte reclameman Bruno Vanspauwen op in verband met de Antwerpse crisis. Hij illustreerde hoe de vierde macht daarbij soms veeleer als gifslang van de democratie fungeerde dan als waakhond. 'Kleine quotes van politici, die ook maar mensen zijn en al eens een minder gelukkige uitspraak doen, worden meteen opgepikt en uitvergroot. De kleinste slip of the tongue krijgt enorme proporties en beïnvloedt niet alleen de andere politici, maar ook de publieke opinie. Dat is een commerciële strategie van de media. Journalisten moeten het feuilleton gaande houden, om lezers te blijven lokken, om niet te moeten onderdoen voor de concurrentie' (Knack 2 april).
Naar aanleiding van de crisis in Antwerpen beleefden we op maandag 17 maart intussen ook al de eerste rechtstreeks uitgezonden gemeenteraad van Antwerpen, incluis platte scheldpartijen en benedenmaatse beledigingen van individuele schepenen door Filip Dewinter. De pers was er omdát ze vuurwerk verwachtte en Dewinter deed wat hij deed omdat de pers er was. Voor een gewone gemeenteraad zou een cameraploeg er nog niet aan denken om uit te rukken, want visueel boeiend is dat allemaal niet (zoals de meeste vergaderingen overal te lande), ook al vallen er regelmatig zeer belangrijke en verregaande beslissingen. In de loop van de volgende dag heb ik de scène met Dewinter een viertal keer herhaald gezien op de lokale en de nationale televisie. Wat voor de rest in het stadhuis gebeurde had kennelijk geen nieuwswaarde.
De sfeer van die dagen was dusdanig dat elk initiatief vanuit de meerderheid om dit soort beschamend spektakel stop te zetten of te verijdelen als verdacht zou worden onthaald. Wie de pers de toegang weigerde tot de zaal, gaf de indruk iets te willen verbergen. Wie Filip Dewinter of anderen strak tot de orde riep of zelfs liet verwijderen, maakte van zichzelf een zwakkeling en van de ander een martelaar. De pers en de oppositie hielden het college in een houdgreep. 'De mediatisering van de politiek wordt stilaan onleefbaar,' stelde Karel de Gucht vast. 'Een politicus lijkt zich in een permanent Big Brother-huis te bevinden. Elke beweging of uitspraak wordt bekeken en becommentarieerd. Van mij mag dat allemaal, maar de vraag is wat de samenleving daar mee opschiet. Iemand als Filip Dewinter aanvaardt dat oorlogssfeertje alvast in dank' (De Morgen 29 maart).
Luc Huyse en anderen beschreven hoe de manoeuvreerruimte en de macht van politici sterk is afgenomen in de voorbije decennia. In Antwerpen werd aangetoond hoe deze beperkte bewegingsvrijheid tot een verlamming leiden kan, waarbij door pers en oppositie belaagde politici gewoon een speelbal worden van de drang naar 'openheid', die eigenlijk niet meer is dan het verlangen naar publieke conflicten, want dat is spannende televisie.
Naast die beperking in beweegruimte werd nog een andere trend verscherpt geïllustreerd in de context van de Antwerpse politieke crisis: de beperking van de beweegtijd. Als politicus word je steeds minder beoordeeld op je gehele beleid, je programma of waar je voor staat, maar wel op wat zich in cruciale weken, bijvoorbeeld vlak voor de verkiezingen, voordoet en hoe je dan in de media komt (vandaar ook de soms gehoorde opmerking van journalisten dat een campagne maar niet op gang komt wegens geen centraal verkiezingsthema, lees: een recente crisis die de strijd vertaalbaarder maakt voor media en publiek, want waarom zou een electorale krachtmeting anders een centraal thema moeten hebben?). Of zoals Mieke Vogels het formuleerde: 'the making en the breaking van een politicus liggen tegenwoordig heel dicht bij elkaar' (Humo 8 april). Het echte werk-van-lange-adem in commissies of op schepenkabinetten wordt minder in rekening gebracht wegens te gespecialiseerd, te technisch en te genuanceerd om in populaire mediaformats te vertalen, al wordt daar in bijvoorbeeld Villa Politica soms wel een meer dan verdienstelijke poging toe gedaan. In de plaats wordt vooral gefocust op interviews en debatten, op de onderhoudende confrontatie van verschillende meningen. Zo zijn politieke uitzendingen als De Zevende Dag of Polspoel & Desmet helemaal opgebouwd rond gesprekken met personen - meestal politici - over gebeurtenissen van de voorbije week, over de concrete politieke actie van het moment. Documentaire reportages over het wezen van de politiek en de structuren van de reële macht, over de impact van niet-politieke actoren op een beleid, over thema's, partijprogramma's of de fundamentele verschillen tussen politieke ideologieën, zelfs debatten daarover, komen er niet aan bod, en elders zelden. Ook in de aanloop naar verkiezingen brengt de televisie bijna uitsluitend interviews of babbels met politici, geen zelfgemaakte duiding bij of analyses van hun ideeëngoed die inzicht verschaffen of vergroten en meer zijn dan een zoveelste aaneenschakeling van standpunten. 'In de mediapolitiek is men uit op eenvoudige boodschappen, die vinden immers de meeste weerklank in de media,' verklaart de Nederlandse sociologe Manuell Castells deze keuze. 'En de eenvoudigste boodschap is een persoon, of liever gezegd het beeld van een persoon' (De standaard 25 april). (Ook schrijvers worden steeds vaker geïnterviewd in plaats van gerecenseerd.) Die zucht naar het 'eenvoudigste' komt ook de programmamakers zelf goed uit: politici of experten naar de studio uitnodigen is goedkoper en relatief gemakkelijker dan zelf op een begrijpbare en niet oppervlakkige manier een diagnose maken van wat meestal toch een ingewikkeld vraagstuk is. Door uiteenlopende anderen aan het woord te laten en je eigen rol te beperken tot gespreksleider, vermijd je bovendien verwijten dat je als journalist niet neutraal zou zijn.
Journalisten bepalen niet alleen de inhoud en de vorm, maar ook het tempo van de verslaggeving. Onder de druk van de concurrentie en in de hoop zelf nieuws te maken of te kunnen zijn wordt dat tempo opgedreven, waarbij journalisten en politici welhaast concurrerende bondgenoten worden in de zoektocht naar steeds meer kijkers/kiezers (klantenbinding). Wat Elchardus een dramademocratie noemt krijgt daardoor soms iets van een flitsdemocratie, waarbij verslaggeving over het besturen herleid wordt tot het in real time en kort-op-de-bal rapporteren over de politieke strijd als spannend feuilleton. Gedreven door een combinatie van hang naar aandacht en angst voor tekenen van zwakheid gaan politici in op elke vraag om een interview. Momenten van bezinning worden immers niet getolereerd (zie de onstemde reactie in De Zevende Dag). Wat ze in die gesprekken zeggen, wordt vanuit tientallen hoeken meteen belicht en beoordeeld op verborgen agenda's en mogelijke consequenties. Door de snelle opeenvolging van steeds nieuwe en onverwachte ontwikkelingen belanden uiteindelijk verschillende betrokkenen in een maalstroom waarover weinigen nog reflecteren, omdat alle aandacht gaat naar wat de actualiteit genoemd wordt, naar wat gebeurt in plaats van de context ervan of het verhaal erachter. De politici zien zichzelf vaak achter 'de feiten' aanlopen. Het publiek wil wel terugkijken op wat gebeurde, maar dan alleen om de onmiddellijke toekomst beter te kunnen inschatten. Je raakt verslaafd aan de politieke docusoap, je bent zo geobsedeerd door de cliffhangers - wat zal straks gebeuren en wie doet het met elkaar? - dat je de bedroevende kwaliteit van het geheel uit het oog verliest.
Vele journalisten beseffen zelf wel dat ze op de adem van de democratie dreigen te trappen door het toerental te verhogen. Vooral in de drie Vlaamse kwaliteitskranten klonk dit besef door. In de Financieel-Economische Tijd vond Mark Deweerdt de dag na het collectieve ontslag al dat dit ontslag rationeel niet in verhouding stond tot de feiten. 'Maar in onze mediademocratie gelden geen rationele regels' (15 maart). Yves Desmet had het over 'een deel van de pers, die bovendien politici van uitzending naar uitzending opjaagt, waardoor iets wat 's middags nog een onschuldige quote was, 's avonds al uitgegroeid kan zijn tot een reden voor regeringscrisis. In dat klimaat rustig redeneren en redelijke oplossingen bedenken, wordt moeilijker en moeilijker' (De Morgen 29 maart). Bart Brinckman ging nog een stap verder in De standaard van 5 april: 'We juinen politici in dit gsm-tijdperk ongenadig op: tegenwoordig bel je een politicus overal en onmiddellijk. Daarbij vervallen we soms in incestueuze journalistiek ("zij hebben het, wij moeten het ook") waarbij we collectief thema's uitvergroten die vervolgens onbeheersbaar worden. Het leidt tot die dramademocratie waarbij het versterkend effect van televisie de agendasetting doordrukt.'
Aan introspectie geen gebrek binnen de pers, maar ze leidt tot niet veel meer dan een soort gelatenheid, waarna wordt overgegaan tot de orde van de dag. Overigens wijzen journalisten geheel terecht op de actieve rol bij dit alles van de politici, die nog eens gestimuleerd werd door de open-debatcultuur binnen paars-groene coalities. Politici benaderen zelf de pers om zichzelf te profileren, om te lekken, om de onderhandelingspositie te verstevigen, om het vervolgverhaal te voeden. Nogmaals Bart Brinckman: 'De Wetstraat lijkt een dag en nacht geopende Moulin Rouge - zonder het naakt maar met het exhibitionisme - waarin politieke vedetten uitgroeien tot entertainers die appelleren aan emotie en gevoel. Het spoort met een onwaarschijnlijke productie aan quotes waarbij politici die spontaan denken in oneliners hun gewicht in goud waard zijn. Het kan dan ook geen toeval zijn dat de jongste Antwerpse crisis aan het einde van de legislatuur uitgroeide tot de absolute apotheose' (De standaard 5 april).'
Paars-groen en de open-debatcultuur zijn experimenten die al in 1994 begonnen met de Antwerpse regenboogcoalitie. Het gaat hier dus in zekere zin om een apotheose van zichzelf, die nog eens versterkt werd door wat nationale politici inbrachten. Ook in deze crisis speelden lokale meerderheidspolitici - uit het college en uit de gemeenteraad - die het moeilijk hebben met het huidige beleid een rol. Sommigen kozen daarbij voor het risico van de catastrofe die volgens hen uiteindelijk eindigen zou in een beleid dat dichter ligt bij wat ze voor ogen hebben. Het is een riskant spel. In deze context degelijke journalistiek brengen is niet simpel. Het is weinigen gegeven om onder tijdsdruk en gevoed door eenzijdige informatie aan correcte of evenwichtige berichtgeving te doen en daar eventueel ook nog eens op geïnformeerde wijze een kritisch licht over te laten schijnen, incluis de nodige zelfkritiek. Als journalist met een drietal minuten zendtijd ter beschikking loop je vaker wel dan niet ook maar mee in de zenuwachtige kudde.
Bij de schrijvende pers ligt dat al wat anders, en zeker in edito's verwacht je dat het hoofd koel gehouden wordt. Het tegendeel was deze keer echter waar. 'College moet opstappen' luidde de Commentaarkop in De standaard van 13 maart. 'Ontslag nemen. Dat is het enige wat de burgemeester en schepenen van Antwerpen nu te doen staat,' waren de openingszinnen. Twee dagen later klonk het al anders: 'De beruchte Visa-uittreksels … verantwoordden op zich geen ontslag en zeker geen heksenjacht op de politici.' Je kunt natuurlijk uitgebreid argumenteren dat het een het ander niet tegenspreekt, maar alvast wat de beeldvorming betreft is er geen coherentie tussen de twee standpunten. Ook in Het Laatste Nieuws van 31 maart suggereert Luc van der Kelen plots dat ontslag overdreven was, terwijl zijn eis op 13 maart toch niet mis te verstaan was. Vaak lijken redactionele standpunten eerder op een boze opwelling of een ferme uithaal dan op de analyse die langer dan een paar dagen meegaat.
Op die momenten wordt de pers een zeer actief sturende medespeler, die zich wel elke dag opnieuw moet bewijzen maar aan niemand verantwoording hoeft af te leggen. Door zich op te werpen als vertolkers van de publieke opinie dichten commentaarschrijvers zichzelf graag een grote legitimiteit toe. Pedagogische redenen ('meer mensen bereiken') worden aangehaald om al te versimpelde weergaves van complexe problemen goed te praten. Zich beroepend op de vrijheid van meningsuiting plaatsen ze zich bij voorbaat ook nog eens buiten verdenking. Schiet niet op de pianist of de boodschapper, werpen ze op. De pianist heeft echter wel een keuze in de partituren en hij kan vals spelen. De boodschapper kan kiezen hoe en wanneer hij welke boodschap brengt. In deze postmoderne tijden van deconstructie gelooft geen enkele ernstige journalist zelf nog dat zijn rol beperkt is tot dat van passief doorgeefluik voor wat anderen zeggen en doen, niet in de gewone berichtgeving en zeker niet in de redactionele standpunten.
Een laatste schild tegen kritiek is een variant op de perfide dooddoener die wil dat the duty of the opposition is to oppose. De pers noemt zich dan de waakhond van de democratie: verkeerde praktijken naar boven spitten en kritiek uiten op wat fout loopt zijn essentieel voor de goede werking van die democratie. Dat laatste klopt uiteraard, maar terughoudendheid en zelfkritiek zijn hier evengoed essentiële elementen. In bepaalde omstandigheden is zelfcensuur een edele deugd, ook in een democratisch bestel. De grootste begunstiger van deze houding zou wel eens de vrijheid van de meningsuiting zelf kunnen zijn. Een gebrek aan sereniteit en intellectuele eerlijkheid kan immers zwaar wegen op de communicatieve zeden. De pers draagt hier een grote verantwoordelijkheid, maar ook die andere twee p's - de politici en het publiek - moeten de moed opbrengen om kritiek te leveren wanneer een verlammende impasse of een al te beweeglijke groepsdynamiek dreigen. Dat de hele affaire geen goede zaak was voor de democratie, heeft Antwerpen volgens Hans Cuypers aan zichzelf te danken: 'Niemand heeft tegen de - door de media opgehitste - sentimenten durven inroeien. Het bevestigt jammer genoeg het cliché dat politiek zakkenvullerij is, tot groot jolijt van het Vlaams Blok' (De Morgen 21 maart).

Kwaadheid en negativisme

De lokale Antwerpse pers speelde in dit alles een specifieke, helaas voorspelbare rol. Politoloog Marc Swyngedouw vertelde me ooit dat uit een onderzoek bleek dat de Antwerpenaar minder vertrouwen heeft in politici dan de gemiddelde Vlaming, maar meer geloof hecht aan wat de pers schrijft dan de rest van Vlaanderen. Mij lijkt het een legitieme vraag of daar enig verband tussen bestaat. Voor vele Antwerpenaren is die pers de lokale kranten, de lokale bladzijden in nationale kranten of de gratis blaadjes die gebust worden of verspreid via de bakker. Het zijn populaire - in de betekenis van volkse - kranten, waarbij de grens tussen 'dicht bij de mensen' en populisme soms flinterdun is. Ten aanzien van de lokale politiek bedient het wijd verspreide weekblad De Zondag zich regelmatig van een schalks-rebelse stijl die aanleunt bij die van 't Pallieterke. De berichtgeving is dan tendentieus, de opstelling hard, de toon culpabiliserend. Het is allemaal echter dan het leven in die zin dat het niveau van de cafépraat niet overstegen wordt.
Populaire kranten als Gazet van Antwerpen, Het Laatste Nieuws of De Nieuwe Gazet laten zich niet verleiden tot dergelijke gemakzuchtige journalistiek ('Ze zetten ons te kakken' was een uitschuivertitel in GvA - koppen verzinnen voor artikels is een stiel apart), maar toch wordt ook hier een beargumenteerde analyse weleens verward met stemmingmakerij. In commentaarstukjes wordt dan geventileerd hoe de stuurlui aan wal erover denken, wat opinies oplevert die vaak niet meer zijn dan wat ze zijn: meningen. Omdat de reflex overheerst dat moet gezegd worden wat de lezer denkt (verwezen wordt daarbij naar het gezonde verstand), werkt dat soort editorialen vooral als een spiegel. Zelden leidt dat tot verrassende of moedige inzichten, wel tot het bevestigd zien van de eerste emotionele verontwaardiging over zoveel onverschilligheid, kwade wil, domheid ('Zagemeel in hun kop', Het Laatste Nieuws 16 april), slechte smaak, enzovoort. In commentaren van kwaliteitskranten worden de levenshouding of de verwachtingen van de gemiddelde Vlaming soms kritisch onder de loupe genomen in verband met een concrete gebeurtenis. Niet zo in de populaire kranten, want dan moet men de eigen lezers aanspreken op hun verantwoordelijkheid of wijzen op de incoherentie van het eigen denken. Dat willen deze kranten niet, want dat heet betutteling. In de plaats daarvan krijgen lezers de bevestiging van het eigen gelijk op basis van analyses die wel expliciet begrip formuleren voor omstandigheden maar uiteindelijk toch selectief en gedecontextualiseerd blijven. Ik geef drie voorbeelden, alle gelezen in populaire kranten op zaterdag 27 april. Minister Verwilghen wordt afgeschoten omdat er te weinig gevangeniscapaciteit is. Maar: wil de lezer dan ook meer belastingen betalen? Of moet bespaard worden op sociale voorzieningen? Minister Tavernier wordt het vuur aan de schenen gelegd omdat hij de vogelpest niet volledig onder controle krijgt. Maar: houden alle lezers uit de bufferzones zich zeker aan de richtlijnen? En wat hadden we te lezen gekregen indien de ministeriële initiatieven meteen hard waren geweest voor grote stukken van Vlaanderen? Lag dan niet het verwijt van overreactie en het pluimvee van de kleine man op de loer? Plus opnieuw: volgens een stemtest wil vijf zesde van de Vlamingen belastingverlaging. Beseft men eigenlijk wel dat het verlies van vernietigde kippen gecompenseerd moet worden met gemeenschapsgeld? Ten slotte een commentaarstuk over Patrick Janssens die nog steeds geen burgemeester kan worden en dat Hugo Coveliers nu wel in zijn vuistje zal lachen want dit kan nog maanden duren. Waarom had de editorialist het in de plaats van over de 'arrogante nonchalance' van de Antwerpse politici niet over de laakbare strategie van het Vlaams Blok, met de vraag wat extreem-rechts wil bereiken met een procedureslag?
Soms lijkt het alsof de editorialisten van de populaire kranten willen wedijveren met de stijl en de teneur van de vele boze lezersbrieven die ze te verwerken krijgen, volgens Yves Desmet 'een van de belangrijkste politieke criteria in dit steeds verrechtsende tijdsgewricht' (De Morgen 23 april). Het is zoals met de kip en het ei: beïnvloedt de Antwerpse lezer nu uiteindelijk wat geschreven wordt, of is het omgekeerd. Eén iets staat wel vast: over het beleid valt bijna nooit een goed woord. Politici een compliment geven behoort niet echt tot de huisstijl, laat staan belaagde schepenen in bescherming nemen. Wel krijgen we met de regelmaat van de klok te lezen dat ze het nog altijd niet begrepen hebben, dat het altijd hetzelfde liedje is, dat er gekissebist wordt op 't Schoon Verdiep en of er nog zand moet zijn. Wie een paar jaargangen lokale kranten doorneemt, wordt haast moedeloos. Al bijna een decennia lang heerst een lastercampagne tegen deze regenboogcoalitie. Kwaadheid en negativisme houden de gedachten samen. (Dat je lokale verslaggeving kan brengen en toch niet hoeft te vervallen in de rol van neerbuigende inquisiteur bewijzen de televisiezender ATV en het gratis weekblad Zone 03/, al voerde dat laatste wel zijn editorialist af na amper een jaar. Ook de intussen jammerlijk verdwenen Wijkgazet, die bovenop de meest acute buurtproblemen zat, hield een veeleer positieve, constructieve toon aan.)
'In Antwerpen focust men te veel op de problemen,' stelde Patrick Janssens vast. 'We moeten meer communiceren over de goede dingen' (De Morgen 2 april). De kwestie is veeleer: wíl de pers dat soort positieve communicatie wel horen, en wíl men die goede dingen dan nog associëren met het gevoerde beleid? Wanneer toch positief bericht wordt over Antwerpen, wordt daar zelden tot nooit een politiek etiket op gekleefd. In de kranten steken vaak bijlages over de topmomenten van Antwerpen, zoals de Cultuurmarkt, Magisch Antwerpen of Portival. Regelmatig wordt melding gemaakt van de specifieke 'gezelligheid' van de stad, van het buurtleven dat er op vele plaatsen beter aan toe is dan een decennium geleden, van de stop van de stadsvlucht, van nieuwe en vernieuwde musea die weerklank vinden tot in het buitenland, van de Zomer van Antwerpen waarvoor Sinjoren uren aanschuiven om een (goedkoop) ticket te bemachtigen, van een bloeiend centrum waar nog een mix van functies (wonen, winkelen, werken, ontspannen) bestaat die vele Europese steden ons benijden en waar het op bijna elk moment van de week koppen lopen is. Maar dat zijn allemaal dingen die uit de lucht komen gevallen of die we aan onszelf te danken hebben. Je zou welhaast gaan geloven: ondanks het beleid is het hier nog goed toeven. Tot we ons, met de lokale pers als megafoon, opnieuw gaan ergeren aan het trage tempo van de heraanleg van de Leien, aan de nieuwe locatie van de openbare bibliotheek, aan de zotte kosten die ons aangerekend worden voor ons huisvuil, aan de files op de Ring, aan het gebruik van kredietkaarten.

De insinuerende associatie als argument

Zoals de goede dingen gemakkelijk losgekoppeld worden van de overheid, zo belandt wat fout en verdacht is des te gemakkelijker in de korf van het bestuur. Hoofdstrategie van deze ratatouille-journalistiek is de insinuatie, het op één hoop gooien van feiten en fictie, van het zijn en de schijn, of de associatie tussen wat je zelf afkeurt en wat de maatschappij veroordeelt. Hoofdpubliek is de vooringenomen of de onzorgvuldige toehoorder. Het hoofddoel is tweeërlei: de ander verdacht maken en de zwakheid van de eigen argumentatie verdoezelen.
In de dagen na het collectieve ontslag vertelde ik vrienden dat ik met een fin-de-Weimargevoel rondliep, een gevoel dat het normale functioneren van de democratie zoals we die kennen onder druk kwam te staan door een massaal gedragen, populistische en onredelijke want door angst ingegeven verdachtmaking van wie niet zuiver zou zijn of niet krachtdadig genoeg stelling neemt tegen de onzuiveren. Op 14 maart had ik in een opiniestuk verwezen naar de ontsporing van het handelsmerk van het Vlaams Blok, 'waarbij verschillende verhalen tot een giftige cocktail gemengd worden' (De standaard), zoals dat bijvoorbeeld en bij uitstek in het migrantendossier gebeurt. Een van de eerste politici die in de context van de Antwerpse crisis eerlijk durfde te spreken over een klimaat van georkestreerde antipolitiek was Karel de Gucht. Niet het schepencollege was volgens hem uit de bocht gegaan, wel de hele politiek. 'Als je nu nuchter terugkijkt op die periode, zie je dat er onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen de aanwijzingen van fraude, waarvan de top van de administratie wordt verdacht, en het onvoorzichtige gedrag van enkele schepenen. (…) Het Vlaams Blok is erin geslaagd om er een amalgaam van te maken en zo het beeld te creëren van de politiek als een poel van verderf. Het Blok heeft daarmee een poujadistische aanval op de democratie ingezet, en wij zijn er allemaal ingetuind' (De Morgen 29 maart). De Gucht zou deze analyse diezelfde dag nog eens herhalen op het liberale congres in Antwerpen en in de studio van TerZake. Hij had het daarbij telkens over 'een Rex-tactiek, ik zou zelfs durven zeggen fascisme', waarbij alles op één hoop gegooid wordt om daarmee de democratie te discrediteren. Hij vond dat zeer gevaarlijk.
Ik ook. Wat ik niet begreep is dat hij zo gemakkelijk de pers buiten schot liet. Dé motor van de hele dynamiek was de insinuatie door associatie. Deze techniek staat centraal in het Blok-denken, maar het Vlaams Blok heeft er geen patent op. Wanneer journalisten standpunten of analyses brengen, of interviews afnemen, zijn ze bewust meer dan neutrale doorgeefluiken. Op dat moment kunnen ze - bij zichzelf of bij anderen - welke retoriek of techniek dan ook doorprikken, net zoals politici dat kunnen. Tenzij ze dat niet willen.
Soms doet de pers zelf expliciet en actief aan stemmingmakerij, zoals in het verhaal van de kredietkaarten. Soms zit de verdachtmaking eerder in kleine dingen, die quasi achteloos in de analyses sluipen. Bijvoorbeeld wanneer mensen die protesteren tegen de oorlog in Irak meteen ook anti-Amerikaans genoemd worden, al dan niet naïef. Dat is wat onlangs een doorgaans goed geïnformeerde journaliste deed die toch de gave van de lucide synthese bezit (De standaard 4 april). Nogmaals gebruikmakend van deze insinuatietechniek had de journaliste het in datzelfde opiniestuk ook over 'het Agalev-kamerlid Peter Vanhoutte, dat in betogingen graag met de maoistische PVDA optrekt'. Eraan voorbijgaand dat in de vredesbetogingen tienduizenden Belgen uit het hele politieke spectrum opstapten met o.a. klein-links, deelde ze ook nog een indirecte uit door het te hebben over Stalin en de lof voor het Noord-Koreaanse regime die leeft bij sommige groepjes ter linker zijde. De woorden Agalev en groen ontbraken niet in de betreffende paragrafen. Vreemd is het dat dit soort stemmingmakerij verschijnt in de rubriek 'Doorgeprikt staat netjes'. Nog vreemder is de laatste zin van de betreffende column: 'Maar onklopbaar in mist spuiten en spin, dat zijn we wel.'
Wie deze techniek van het amalgaam maken goed in de gaten houdt, kan veel leren over de gebruiker ervan. Vaak wordt hiermee de werkelijke positie vrijgegeven zonder dat die expliciet uitgeschreven wordt. Je leest dan de opinie achter de opinie, of wat we de verborgen agenda noemen. Of de te decoderen boodschap voor de achterban. Een kwaliteitsvolle pers heeft de verantwoordelijkheid om niet alleen zelf geen gebruik te maken van deze retoriek - tenzij in Humoristische, niet ernstig bedoelde stukjes - maar ook om aan de alarmbel te trekken wanneer politici in hun uiteenzettingen zo kort door de bocht gaan dat wat als analyse gepresenteerd wordt in feite demagogie is. Opnieuw uit angst voor het Vlaams Blok lieten verschillende rechtse politici zich hiertoe verleiden toen eind vorig jaar de patrouilles van de Arabisch-Europese Liga in het Antwerpse straatbeeld opdoken (d.w.z. die zes of zeven keer toen de AEL de pers op de hoogte gebracht had van waar een patrouille actief zou zijn, om zichzelf op de politieke kaart te plaatsen). Terwijl burgemeester Detiège haar kalmte bewaarde en verklaarde dat geen enkele wet het verbood om toe te zien op politie-acties en dat, integendeel, het controleren van wat de politie doet een democratisch recht is zolang burgers daarbij niet gewapend zijn en het werk van de politie niet hinderen, had een panikerende minister van Binnenlandse Zaken Duquesne het over de ondermijning van onze rechtsstaat, maakte minister van Justitie Verwilghen gebruik van zijn injunctierecht om een onderzoek naar de activiteiten van de AEL op te starten, en suggereerde Kamerlid Van Peel dat de wet eventueel maar diende aangepast te worden om in te grijpen. Op het kernkabinet van 20 november ll. verklaarde premier Verhofstadt dat de regering er alles aan zou doen om het ontstaan van wetteloze zones (no go areas) in de grote steden tegen te gaan. Een week later (28 november) verklaarde hij in de Kamer dat de Liga de stad wil terroriseren en de politie uit de wijken wil verdrijven om er criminele activiteiten te ondernemen.
Bewijzen van dat alles hebben we niet gekregen. Dat kon ook niet, want het was een karikaturale insinuatie door top-politici die even de trappers kwijtraakten. Maar intussen werd de voorman van de AEL, Dyab Abou Jahjah, wel opgepakt en viel de recherche onder het oog van vele camera's zijn appartement binnen, op zoek naar bezwarende informatie. Hij werd enkele dagen later weer vrijgelaten: het dossier bleek te mager. Maar de beeldvorming bleef: tegen provocerende Arabieren wordt hard opgetreden. Rond de figuur van Abou Jahjah bleef sindsdien een sfeer van gevaarlijk politiek extremisme hangen.
Het criminaliseren van een mogelijk extremistische politieke tegenstander op basis van vage insinuaties rond terrorisme en georganiseerde misdaad is geen geoorloofde manier om hem te verzwakken of uit te schakelen. Daarvoor bestaan andere kanalen, zoals verkiezingen of het zich beroepen op wetten rond racisme, discriminatie, revisionisme, het schenden van de privacy, van de vrijheid van meningsuiting, van de scheiding van kerk en staat, enzovoort. Bovendien bestaat bij een stigmatiserende benadering het risico dat niet naar de sociale achtergronden en oorzaken van een fenomeen als de AEL gekeken wordt, en dat men blijft steken in de repressie. Gelukkig werd kritisch gereageerd op deze populistische koortsopstoot binnen de regering. Journalisten veroordeelden het onwaardige panikeren op de grens van de democratie, burgers organiseerden een Netwerk Recht, en op 3 december publiceerden 204 professoren een open brief waarin ze de politieke wereld een onverantwoorde en beschamende respons verweten.
Helaas hebben we dat soort veroordelingen, netwerken of brieven niet gezien in de Antwerpse affaire. Ook in dat vorige Vlaamse einde-Weimarmoment - de Reve-rel in december 2001, toen alle stoppen doorsloegen en zich een groepsdynamiek ontwikkelde richting de lynchdemocratie - bleef het oorverdovend stil. Ook toen heerste de insinuatie ('s mans partner was een pedofiel, dus…) en weerklonk de roep om een rituele boetedoening (geen officiële prijsuitreiking) die ondubbelzinnig aantoonde dat de instanties en de bevolking op één lijn zaten. Ook toen haalde de angst voor de negatieve beeldvorming het op wat intellectueel verdedigbaar was en binnen onze geëmancipeerde rechtsstaat verdedigd had moeten worden.

Symbolische daden

Onder invloed van een toenemende mediatisering van het politieke bedrijf, maar ook omdat het persoonlijke politieke gewicht steeds duidelijker afgewogen wordt aan het aantal voorkeurstemmen dat wordt behaald, zijn politici steeds meer belang gaan hechten aan de beeldvorming.
Twee dagen na het collectieve ontslag vertelde Patrick Janssens het volgende in Le Soir: 'Niet aftreden was een nog mooier geschenk geweest voor het Blok. De beschuldigde schepenen hadden niets onwettelijks gedaan, maar ze hadden fouten begaan die men zich niet kan permitteren als bestuurders van een grote stad. Het gaat niet over wettelijkheid, maar over bekwaamheid. Het is van een symbolische orde. Maar in Antwerpen telt het symbool meer dan de werkelijkheid' (15 maart). Hij herhaalde dat dezelfde dag nog eens in De Morgen: 'We zullen grote symbolische daden moeten stellen die duidelijk maken dat we het nu wel begrepen hebben.' Niemand moet de socioloog en voormalige reclameman Patrick Janssens iets leren over het verschil tussen de realiteit en de perceptie ervan. Dat het symbool, het verdichte beeld, het ritueel, het imago, de look, de sfeerschepping, het 'goede gevoel', de emotionele band, de stijl, de gedragscode, wat meteen en voor eenieder herkenbaar is (het stereotype, het vooroordeel), de herleiding, de typerende anekdote, het persoonlijke, enzovoort - de marketing, quoi - vandaag centraal staan in de relatie met kiezers, en helaas veel minder de complexe, genuanceerde én weerbarstige werkelijkheid, heeft hij heel juist gezien. Niet alleen in de Antwerpse politiek 'telt het symbool meer dan de werkelijkheid', maar door de specifieke, sterk gepolariseerde en explosieve politieke situatie in de Scheldestad manifesteert deze evolutie zich er heviger dan in de rest van Vlaanderen. Let ook op de gemaakte koppeling tussen bekwaamheid en het symbool: bekwaam is wie dat symbolische begrijpt, erkent en ernaar handelt. Of wie de indruk wekt dat te doen.
Om duidelijk te maken 'dat je het begrepen hebt', moet je als politicus dus symbolische daden stellen. In Antwerpen was dat het collectieve ontslag. In Vlaanderen is dat dezer dagen, in electorale tijden, bijvoorbeeld het opzoeken van wat politici 'de Dorpsstraat' noemen. Terwijl de meeste Vlamingen intussen in sterk geürbaniseerde zones wonen en Vlaanderen eigenlijk nauwelijks nog dorpen telt - K. Deschouwvaegher heeft het over 'een wereldstad van 5,6 miljoen inwoners' (Financieel-Economische Tijd 26 april) - gaan politici wat vertwijfeld op zoek naar deze mythische plaats met grote symbolische waarde. De Dorpsstraat betekent immers: niet de Wetstraat. En ook: de tijd van toen, de nuchtere boerenwijsheid, het eenvoudige geluk, het niet-corrupte, de onthaasting. En uiteraard en belangrijkst van al: de gewone man.
Een waardig equivalent van de Dorpsstraat is de voetbaltribune. Het was 'op den Beerschot' dat Patrick Janssens de stemmen hoorde die hem vertelden dat hij voor het burgemeesterschap moest gaan. Het was niet in de Bourlaschouwburg of op een academisch colloquium. Had hij verteld dat mensen hem daar aanspoorden om burgemeester te worden, dan zou dat symbolisch een domme daad geweest zijn. Het bewijs eigenlijk dat hij het niet begrepen had. Ook een wielerwedstrijd behoort tot de Dorpsstraat. Zo maakte een groep CD&V-politici haar opwachting in Gent-Wevelgem om de glorie van de Flandriens op zich te laten afstralen. Het had iets plATVloers, dat onwennig in verkavelingsvlaams staan supporteren voor de zeker aanwezige camera's. Anderzijds is het natuurlijk logisch dat je campagne voert waar veel volk samen komt. Bovendien betekent de Dorpsstraat ook: eigen volk eerst, want veel vreemdelingen tref je er niet aan. Ja, de eerder nostalgische Dorpsstraat staat niet meteen bekend voor een gerichtheid op de wijde wereld. Als Vlaamse folklore heeft wielrennen dan een streepje voor op het voetbal, dat bovendien regelmatig ontsierd wordt door hooliganisme.
Terwijl de politicus vroeger respect afdwong door zich als een haast mysterieuze notabele op te stellen die zich in de betere kringen over complexe zaken buigt, moet hij nu dicht bij of zelfs 'midden' de mensen staan - een van hen zijn - en zich als de bescheidenheid, de belangenloosheid en de transparantie zelve gedragen, waarbij ook hier de slinger in toenemende mate doorslaat van het ene uiterste naar het andere. In januari won de Nederlandse PvdA de verkiezingen op basis van nederigheid, door zich in de fel gemediatiseerde Dorpsstraat te gaan verontschuldigen voor het eigen verleden. In Vlaanderen ontstaat een politiek opbod in het citeren van mensen van eenvoudige komaf, van het zich situeren in gewone omgevingen (de kapperszaak, de markt, de sportwedstrijd). Politici vertellen dat ze zich bij het bepalen van wat ze doen laten leiden door wat ze horen op straat. Zo verwijst Patrick Janssens naar de Abdijstraat op het Kiel (Humo 8 april). In realiteit bedoelt hij daarmee dat de sp.a een contract heeft met Dimarso, want 'een moderne partij moet de publieke opinie voortdurend in de gaten houden' (idem). Omgekeerd is een politiek voorstel maar goed als je het uitgelegd krijgt aan de toog. 'Een keer op café gaan volstaat,' zegt Steve Stevaert (De Morgen 24 april) - voor Freya van den Bossche is dat café De Welkom, lezen we in interviews - en de CD&V heeft het in dit verband over de cafétest.
Het is natuurlijk een goede zaak dat politici voelhorens hebben voor wat leeft bij de bevolking en dat ze dit ernstig nemen. Vanzelfsprekend moeten Antwerpse politici naar de wijken gaan (en hoe lokaler het mandaat hoe vaker). Maar vervolgens moeten ze ook de moed opbrengen om een coherent beleid uit te tekenen, wat onvermijdelijk minder populaire maatregelen met zich meebrengt, waarover ze in discussie moeten durven treden met 'de mensen'. Die laatsten op een piëdestal plaatsen of de indruk wekken dat ze geprefereerde gesprekspartners zijn, dat hun taal de meest valabele is en hun moreel aanvoelen de enige juiste, kan daarbij averechtse effecten sorteren. Op termijn zijn er voor de politiek immers verraderlijke keerzijden verbonden aan het beklemtonen van de beeldvorming ten koste van de vorming en de werkelijkheid.
Een eerste keerzijde is de dwang tot eenheidsdenken over wat een werkelijke democratie dan wel inhoudt. Die dwang volgt logischerwijs uit het centraal plaatsen van 'de mensen' aan wie moet worden aangetoond 'dat men het nu wel begrepen heeft'. Wie op de tekortkomingen of het soms gemakzuchtige of populistische karakter wijst van de polarisering tussen wie wil begrijpen en wie dat wegens een vermeende arrogantie, een zogenaamd gebrek aan souplesse, aan deemoed of wat dan ook niet wil, wordt meteen zelf gekapitteld. Dat heeft mede te maken met een weerstand tegen wat niet gemakkelijk is, wat een inspanning vraagt of wat Rudi Rotthier in een literaire recensie omschreef als de heersende diepe afkeer van wat zich niet meteen gewonnen geeft. 'We zijn zo vervlakt dat we van een molshoop een berg kunnen maken. Dat is het Vlaams Blok in elk van ons' (De Morgen Boeken 2 april). Schietschijf nummer één daarbij vormen de intellectuelen, die zich zelden in het centrum of op de vlakte bevinden. In zijn intussen beruchte interview van bijna een jaar geleden wilde Bert Anciaux 'een project realiseren met de gewone man en vrouw in de straat, met de elite van de massa', waarbij hij 'geen betuttelend toontje' wilde aanslaan 'zoals de progressieve intellectuelen van VLD, sp.a en Agalev zo graag doen' (Het Laatste Nieuws 14 mei 2002). Bart Somers wil zich 'vooral niet laten kortwieken door intellectuelen die vinden dat alle thema's die het Vlaams Blok op de agenda plaatst, taboe zijn' (Knack 27 november 2002). Steve Stevaert heeft het over de Gestelde Kerk en constateert regelmatig dat je overal verstandige mensen vindt, 'maar onder intellectuelen net een beetje minder.' De recente toename van anti-intellectualisme binnen de sp.a is zo opvallend dat ze aanleiding gaf tot een verontwaardigd opiniestuk in De Morgen. Walter Pauli stelde er vast dat 'de nieuwe klassevijand niet meer de man met geld is, maar die met hersens, een diploma, of beide' (30 april). De verstandelijke analyse is voortaan van ondergeschikt belang, indien al niet een bedreiging. Wie niet het gezond verstand of de buik als primaire basis voor het vormen van een mening aanvaardt, valt te wantrouwen. Ooit pakte Filip Dewinter eens een hele zaal in door na een uiteenzetting van een politieke concurrent te zeggen: 'Ik bennek ik genen intellectueel zoals gij, zunne!'
Het is de oudste en meest vileine truc van de politieke foor: isoleer + karikaturiseer een categorie mensen en maak die kop van Jut. De rangen zullen zich rond je sluiten. Wie de intellectuelen isoleert, passeert verschillende malen aan de kassa. Niet alleen wordt de gecreëerde opponent belachelijk gemaakt met gemakkelijke redeneringen die zich door de gezochte polarisering per definitie legitimeren, maar het intuïtief ingestelde publiek voelt zich op slag ook beter en slimmer, wat de voedingsbodem voor niet-intellectuele uitspraken nog vergroot. Politici die zich tegen intellectuelen keren, zeggen eigenlijk: denk niet te diep na over wat ik zeg, want dan word je zelf een outcast. Angst die leidt tot intellectuele passiviteit: zo wordt het bedje gespreid voor de demagogie. Terecht ziet politicoloog Carl Devos in dit soort uitspraken een 'subtiel, misschien deels onbewust maar in elk geval trefzeker uitrangeren van een "clubje criticasters". Wie of wat die intellectuelen zijn, is daarbij niet duidelijk. Dat mag ook niet. Het is veel gemakkelijker om een abstracte categorie als afvalligen voor te stellen. De suggestie is dat deze hautaine, wereldvreemde schriftgeleerden het ware geloof in de democratie verloren. Hoed u voor hen, ze zijn erop uit om het "gewone volk" buiten spel te zetten' (De standaard 17 april).
De formats in de massamedia zijn niet van die aard dat ze het kader voor een tegengewicht creëren, wat gevolgen heeft voor de profielbepaling van de gemiddelde top-politicus. De intellectueel - in de zin van belijder van de verstandelijke benadering - is niet het type politicus dat frequent geselecteerd wordt voor politieke en andere talkshows. Wie daarentegen intuïtief ('spontaan'), emotioneel ('authentiek') of anekdotisch ('kleurrijk') overkomt en zich niet schaamt om af en toe populistisch uit de hoek te komen, heeft een voetje voor en maakt een grotere kans op naambekendheid en dus een mandaat, want verkiezingen krijgen steeds meer uitgesproken het karakter van een populariteitstest. De Nederlandse socioloog Dick Pels heeft het in dit verband over een modern concubinaat tussen media en politiek: 'Hierdoor versmelten de logica van de macht en de logica van de roem tot op zekere hoogte met elkaar, en veranderen politieke leiders in "celebrities" die eerder herkenning en vertrouwen oproepen als "persoonsmerken" dan als exponenten van een partij-ideologisch collectief' (Vrij Nederland 2 mei). Voorbeeld par excellence is natuurlijk Pim Fortuyn, maar ook in afgezwakte vorm vindt dit type van politicus gemakkelijk gehoor bij pers en publiek. Is dat niet wat overdreven? zullen sommigen opperen. De parlementen zitten toch niet vol met bekende Vlamingen die het van hun media-optredens moeten hebben? In de regeringen zitten toch bijna uitsluitend professoren, ingenieurs, advocaten, sociologen en andere gestudeerden? Was Pim Fortuyn overigens zelf geen academicus? Hier past een vergelijking tussen de houding van twee professoren die in het Belgische parlement zetelen, om aan te duiden dat intellectueel zijn nog wat anders is dan academisch gevormd zijn. Mark Eyskens is een graag geziene gast in tv-studio's. Hij heeft altijd een oneliner of een bon-mot klaar over een brede waaier van onderwerpen. Zo genuanceerd en uitdagend als hij is in zijn vele boeken, zo clichématig en buitenissig wordt hij echter in zijn televisie-optredens, wat hem een hoog entertainend gehalte bezorgt. Vast onderdeel van elke passage in de media is een sloganesk belachelijk maken van het linkse denken. Zijn Leuvense collega Paul de Grauwe, daarentegen, nochtans het prototype van de progressieve liberaal en dus niet alleen een grotere voorstander van de vrije markt dan Mark Eyskens maar ook ideologisch even duidelijk te plaatsen, weigert om in een dergelijk gemakkelijk zwart-witdenken mee te gaan. Hij erkent dat 'het milieu de achillespees van de globalisering' is (De standaard 15 april), loopt niet hoog op met de toenemende schaalvergroting in de economie en wil zelfs verder regeren met Agalev omdat het milieu van essentieel belang is en je als regering zonder groenen 'toch de dingen die zij voorstellen zal moeten doen' (idem). In de voorbije jaren zag je Paul de Grauwe zelden op de televisie, wegens te ernstig. Hij is ook nooit een liberaal stemmenkanon geworden.
Soms laten verstandige politici zich zo gaan in hun misprijzen van de rede dat ze een aanslag plegen op de intellectuele eerlijkheid. Vooral in verkiezingstijd gebeurt dit wel vaker. Het is dan aan de interviewer om op een elegante maar kordate manier te wijzen op het verschil tussen sloganeske stemmingmakerij en een inhoudelijke analyse, met de bedoeling zo het niveau van de gedachtewisseling op te krikken. In De Zevende Dag van 4 mei was er een debat over de afbouw van kernenergie. Op de vraag 'Wat met het kernafval' begon CD&V-volksvertegenwoordiger Tony van Parys over de groenen als onbetrouwbare partners. Zijn Vlaams-Blok-collega Francis van den Eynde had het spottend over 'windmolentjes'. Karel van Hoorebeke (N-VA) bladerde wat in papieren om op procedures en uitspraken te wijzen. Twintig minuten lang verstopten de drie politici zich bijna onder hun stoel om toch maar niet te moeten antwoorden op die ene cruciale vraag. De standpunten van de drie waren duidelijk - overgaan tot het sluiten van de kerncentrales is een lichtzinnige beslissing - maar op het einde van het 'debat' wisten we nog steeds niet wat hun partijen over het kernafval dachten. Jammer was dat, om niet te zeggen een gemiste kans van formaat, want een heldere uiteenzetting daarover in plaats van ontwijkinggedrag had de discussie opengetrokken en vooruitgeholpen. Nog beter, informatiever en een wezenlijker bijdrage tot het goed functioneren van de democratie ware een reportage of documentaire van dezelfde duur geweest met een veelzijdige benadering van de problematiek en daartussen gemonteerd duidelijke antwoorden van dezelfde politici op de gestelde vragen.
Het stimuleren van de ideologische verwarring bij de kiezer vormt een tweede keerzijde. We hebben het dan over de bekende verzuchting dat alle partijen tegenwoordig op elkaar lijken, 'dat je geen verschil meer ziet'. Zelf geloof ik niet dat politieke ideologieën vandaag zo hard naar elkaar toegroeien als algemeen wordt aangenomen, dat ze verwateren tot allemaal een beetje van hetzelfde in het centrum. Ik geloof wel dat de grote beleidspartijen, in hun ijver om zo veel mogelijk kiezers voor zich te winnen, hun best doen om die indruk te creëren, want de gewone man die zich niet laat verleiden tot een extreem-rechtse proteststem zit doorgaans inderdaad in het centrum. Dat is nog meer dan vroeger het geval omdat kiezers zich minder door traditionele zuilvoorkeuren laten leiden en omdat de media begrepen hebben dat kijkers en lezers het nieuws gemakkelijker verteren wanneer het gepersonaliseerd is. Grote theorieën bepalen dus minder het stemgedrag. Kiezers 'zweven' vaker, en de meesten zweven rond het centrum, waar het knooppunt ligt van de verschillende democratische ideologieën. Concreet zagen we dat de VLD in de voorbije jaren een meer gematigd liberalisme ging verkondigen dan wat premier Verhofstadt beschreef in zijn burgermanifesten. In een paarsgroene coalitie waarin liberalen tot een consensus moeten komen met twee linkse partijen krijgt dat soort liberalisme ook inderdaad gestalte, wat de liberalen bij verkiezingen de bonus kan opleveren die vroeger naar de christen-democraten ging. Ook de sp.a kan een deel van die bonus incasseren, want de socialisten zijn evengoed op zoek naar contact met de grootste gemene deler in de bevolking. Het accent werd verlegd van de kleine man naar de gewone man. Met de uitspraak 'alles wat goed is voor de mensen is socialistisch' benadrukt Steve Stevaert niet alleen het belang van 'de mensen', maar ook de totale relativering van de ideologie als leidraad voor een coherent bestuur: als het maar goed is voor de mensen. De CD&V zit traditionelerwijs al in het centrum van het politieke spectrum, met middelpuntvliedende krachten die de partij naar alle richtingen trekken. Daarom leidt de drang om zich in de communicatie 'midden de mensen' te positioneren weleens tot een gebrek aan beginselvastheid - de befaamde wolligheid van Stefaan de Clerck of de bocht in de Irak-crisis toen bleek dat de publieke opinie de regering volgde - of vaker nog tot het pragmatisch wachten met zoeken naar oplossingen tot wanneer de problemen zich in alle duidelijkheid stellen (crisismanagement). Van alle ideologieën is de christen-democratische de minst pro-actieve, in die zin dat reeds binnen de partij gezocht wordt naar een maatschappelijke consensus, terwijl andere partijen met meer afgelijnde ideologische eisen naar de onderhandelingstafel trekken. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de CD&V worstelt met haar rol als oppositiepartij, want dat is niet haar natuurlijke habitat. Komt daarbij dat het christen-democratische profiel - zeker wat sociaal-economische dossiers betreft - grotendeels opgeslorpt werd door de paars-groene coalitie die niet anders kan dan streven naar consensus. Vandaar wellicht dat de CD&V zich nu vooral profileren wil op het sociaal-culturele vlak (tegen wat de partij de morele 'vrijheid-blijheid' van progressief paars-groen noemt) en op het sociaal-economische vlak niet veel meer kan proberen dan de middelpuntzoekende regeringscoalitie uit elkaar te jagen.
Een derde schaduwzijde van het willen behagen van 'de mensen' en het als belangrijker voorstellen van de symbolische orde dan de werkelijkheid, is het gemakkelijker bevestigen en goedpraten van een eventueel gebrek aan coherentie, aan zin voor proportie, complexiteit of realisme of zelfs aan bepaalde principes bij de kiezer. 'De kiezer heeft altijd gelijk' is de klassieke en meteen ook meest extreme uiting van angst voor het electorale oordeel. De bewering legt als vanzelfsprekend de schuld voor wat fout gaat bij de politicus, die constant beterschap belooft maar daarvoor niet altijd op de zelfkritische hulp of het empathische begrip van de burger kan rekenen. Wel integendeel. Politicoloog Carl Devos plakte daar het interessante begrip 'hypocratie' op, wat een speciale vorm van democratie is. Hij merkte op dat de meeste mensen onverschillig of zelfs afkerig staan tegenover politiek, dat ze er eigenlijk weinig van begrijpen, maar toch niet aarzelen om 'snel en zonder al te veel nadenken vanuit de heup op de politiek' te schieten 'en op wat daar naar ruikt.' Volgens hem maakte 'de Antwerpse "visa-gate" scherp duidelijk hoe de pers daarin het voortouw kan nemen. Vooral fenomenen die zich eerder in de rand van de politiek ophouden kunnen op meer aandacht rekenen en vormen het onderwerp van enige reflectie' (De standaard 19 maart).
Wat dikwijls vergeten wordt is dat politiek een ingewikkelde kwestie is voor de leek. Het is een vak apart, dat kennis van zaken en nog een stuk of wat specifieke vereisten veronderstelt. 'Zoals in alle ontwikkelde maatschappijen is ook hier arbeidsverdeling aangewezen,' schrijft Carl Devos nog, 'en kiezen we voor mensen die daarin gespecialiseerd zijn, daarvoor de tijd en talenten hebben.' Het is dus zonde om slordig of spilziek om te gaan met politiek personeel, zeker op hoog niveau. Sommige Antwerpse schepenen waren net goed ingewerkt in hun job. Bewees de bevolking zichzelf wel een dienst door hun ontslag te eisen voor handelingen 'die zich eerder in de rand van de politiek ophouden'? Was de aantijging overigens wel ernstig of consequent te noemen? Elke Antwerpenaar betaalt mee aan de smoking van prins Laurent, maar als de Antwerpse schepen Pairon met gemeenschapsgeld een smoking koopt om zijn stad te representeren bij diezelfde prins, hangt hij en roepen velen dat de politiek stinkt en het vorstenhuis blinkt. Als werknemers in de haven hun werkkledij, helmen en werfschoenen terugbetaald krijgen, waarom dan hun schepen zijn smoking niet? Hoeveel kaderleden in het Antwerpse bedrijfsleven durven hun onkostennota's naast die van de schepenen te leggen? Waren zij die met de vinger wezen wel voldoende geïnformeerd? In de weken na de affaire stelde ik vast dat heel wat Vlamingen niet eens wisten dat het budget per kredietkaart niet ongelimiteerd was. Politici (én journalisten) zijn intenser bezig met politiek dan de bevolking. Het is hun job en hun passie! Maar hoe kan je als politicus dan de indruk willen wekken dat de gewone burger 'altijd gelijk heeft'? Betekent dit dat de specialisten TerZake er minder van afweten dan hun publiek? Natuurlijk niet, en geen enkel politicus gelooft ook echt dat 'de mensen' de politieke wijsheid in pacht hebben. Het is uit angstige korte-termijnberekening en electoraal opportunisme dat ze deze beeldvorming in de hand werken. Omdat de kiezer een klant is en de klant koning, ontbreekt het de politicus-als-kleine-zelfstandige aan de moed om juiste verhoudingen te suggereren (relativiteit) en gebeurtenissen te contextualiseren (relatie). Dat is jammer, want relativiteit en relatie zijn niet voor niets afgeleiden van eenzelfde grondwoord. Wie zicht heeft op het bredere verhaal (relaas: idem), reageert doorgaans rustiger en meer weloverwogen. De kwaliteit van het beleid kan daar maar wel mee varen. Soms zou je welhaast verlangen naar die ene politicus die de vermetelheid opbrengt om toe te geven dat de kiezer wel altijd beslist maar niet altijd gelijk heeft, en dat hij zich daarom als mandataris eerder weinig gelegen laat aan wat de mensen denken, maar wel zijn leven zou geven voor de democratie. Want je hebt natuurlijk vele manieren om de democratie in te vullen. Het Volksempfinden volgen is daar maar één van.
Blijkens de goedbedoelde, leerrijke en intussen veelbesproken VRT-peiling Doe de Stemtest levert wat de bevolking als leidraad suggereert voor de politiek vooral een kortzichtig, weinig duurzaam en incoherent beleid op. Op basis van 36 vaak toch wel tendentieus of simplistisch geformuleerde mini-referenda leerden we dat 85% van 'de mensen' stemt voor belastingverlagingen, maar tegelijk willen ze ook alle voordelen van de sociale welvaartstaat behouden (de overheid moet dus vaker en meer financieel over de brug komen) en zien ze heel wat producten (benzine, bio-voedsel) en diensten (openbaar vervoer, bejaardenzorg) graag goedkoper worden. Rode draad bij dit alles is dat men de schuld voor wat fout loopt en de inspanning die moet geleverd worden met het oog op verbetering bij de anderen legt. Het is een houding die het populistische Vlaams Blok in extreme mate exploiteert, daarin op wat minder doorzichtige wijze gevolgd door steeds meer politici uit andere partijen. Ongenuanceerde of suggestieve ja/neen-vragen werken deze houding veeleer in de hand dan dat ze er weerwerk tegen bieden. In de realiteit van het wetgevend overleg bestaan er immers nauwelijks zwart-witantwoorden. Als de kwesties zo simpel te benaderen waren, zou Het Staatsblad niet vol staan met lange wetteksten. Toch bedienen nogal wat politici zich courant van dergelijke ja/neen-lijstjes om de standpunten van de tegenstanders te versimpelen of het eigen standpunt harder te laten klinken. Ze bevestigen daarmee slechts hun angst om op een volwassen en eerlijke manier om te gaan met 'de mensen'. Ze versterken ook één bepaalde opvatting van democratie, namelijk het burgerschap dat herleid wordt tot het maken van een individuele keuze in de winkelrekken vol maatregelen. Die representatieve democratie staat tegenover de participatieve visie op het burgerschap, waarin de niet-geïsoleerde burger zich inschrijft in een gezamenlijk overleg rond het algemeen belang. Marc Reynebeau waarschuwt ervoor dat wanneer politici 'zich, zoals nu, beperken tot oplossingen en voorstellen voor ditjes en datjes, over geïsoleerde kwesties', politiek algauw om belangen lijkt te gaan, 'niet om een ethische of morele keuze' (Knack 30 april). Daarin ziet hij 'het kweekbed van het cynisme' (idem).
In het verlengde van de versmalde weergave van en de daaruit voortvloeiende verknipte omgang met de realiteit situeert zich een vierde keerzijde, namelijk de reductie van wat politiek is en een bestuur doet tot de beeldvorming erover, met alle gevolgen vandien. De Antwerpse crisis vormde wat dat betreft een ontnuchterende ervaring. Eenzelfde ontsporing dreigt telkens wanneer opiniepeilingen het politieke debat gaan beheersen. Een perversie van de manier waarop hiertoe een poging werd gedaan is de interpretatie die CD&V de wereld instuurde van een in opdracht van de partij door het onderzoeksbureau Dimarso uitgevoerde telefonische ondervraging van duizend Vlamingen. Gepeild werd naar de indruk die men had ('meer, hetzelfde, minder') over de paars-groene prestaties op het vlak van veiligheid, armoede, belastingen, files, integratie, politie, drugsgebruik enzovoort. 'Paars-groen leeft van perceptie,' vertelde Stefaan de Clerck, 'maar de mensen voelen de werkelijkheid anders aan' (De standaard 8 mei). De door paars-groen de wereld ingestuurde beeldvorming over het eigen beleid wordt hier dus in twijfel getrokken op basis van een peiling naar de perceptie van dat beleid. Om de cirkelredenering wat vierkanter te maken, voegde Herman van Rompuy eraan toe: 'De indrukken van de mensen kloppen met de werkelijkheid' (idem). De indrukken van de gepeilden vormen natuurlijk interessant materiaal, maar over een 'werkelijkheid' leren ze ons net niets. Het is begrijpelijk dat CD&V zich in het eigen gelijk gesterkt voelt, maar een beeldvorming door anderen aanklagen op basis van een eigen beeldvorming voegt weinig toe aan onze kennis van wat tweemaal uitdrukkelijk als 'werkelijkheid' naar voor geschoven wordt. Twee dagen eerder had Mark Elchardus er naar aanleiding van een onderzoek nog op gewezen dat het Vlaamse onveiligheidsgevoel niet hetzelfde is als de reële onveiligheid. Kennis van wat intuïtief aangevoeld wordt door een publieke opinie is relevant, maar dit als werkelijkheid voorstellen is intellectuele oneerlijkheid en politieke exploitatie van … een beeldvorming.
De beeldvorming is natuurlijk geen goddelijk gegeven, wordt niet gestuurd door een onzichtbare, neutrale hand. Wel door in eerste instantie de politici zelf, in een innig en complex samenwerkingsverband met de media - die laatste minder dan vroeger uit ideologische gedrevenheid en meer onder concurrentiële druk. Samen richten zij zich tot de meest passieve en ongrijpbare van de drie partners: de burger.
Sommige politici profiteren meer van bepaalde percepties bij die burger dan andere. Achter elke beeldvorming gaat een agenda schuil. Daarom doen we er goed aan ten allen tijde aandachtig te kijken naar wie wat zegt ter afzwakking of versterking van welke beeldvorming, wie waarom de gewone man citeert, wie doet alsof 'de mensen' een collectief vormen en ook nog eens meent te weten of te kunnen achterhalen wat dat collectief denkt, wie impopulaire standpunten vermijdt, zwijgt wanneer weinig eer te halen valt en in een wijde boog om heikele thema's heen loopt, wie zich verstopt door het persoonlijke geweten op non-actief te zetten of wie daarentegen trendsettend durft te zijn door in te gaan tegen wat als de publieke opinie ervaren wordt, enzovoort. Met betrekking tot de Antwerpse crisis kunnen we daaraan toevoegen: wie het geloof in de hand werkt dat de perceptie de realiteit is door tijdens een crisissituatie in te schatten wat de publieke opinie erover denkt en vervolgens daarnaar te handelen, of wie zelf in het offensief gaat omdat hij of zij recht in de schoenen staat en de feiten belangrijker acht dan de fictie. In tijden van grote nadruk op de beeldvorming, verandert de definitie van wie als een sterke figuur en wat als een krachtdadig beleid ervaren wordt. Zij die de communicatieve (= retorische) gave hebben om de perceptie over zichzelf én over de anderen (= complementair, het een gaat nooit zonder het ander) te sturen, hebben een voorsprong. Wat je zegt en hoe je overkomt, wordt belangrijker dan wat je effectief doet en werkelijk denkt. In het beste geval vallen de twee samen. Maar er bestaan ook ministers die ongegeneerd pluimen op hun eigen hoed steken die eigenlijk aan andere ministers toebehoren. Wie dan beschaafd bescheiden blijft, is de pineut. Er bestaat ook een Vlaamse burgemeester die sterk communiceert over zijn tewerkstellingsprogramma's voor allochtonen, maar op het terrein dergelijke programma's terugschroeft. Een groot politiek talent hebben betekent vandaag dat je erin slaagt om via de media een positieve beeldvorming te creëren over jezelf en je beleid. Bescheidenheid en eerlijke schaamte vormen daarbij geen kwaliteiten. Ze kunnen je integendeel veel kosten, zoals minister Renaat Landuyt aangeeft in een interview: 'Ik heb geleerd dat je in deze tijden van communicatie de dingen het best niet bescheiden voorstelt, anders geloven ze dat je weinig doet. Achilles van Acker kon nog zeggen: je moet vooral je werk goed doen. Nu moet je je werk niet alleen goed doen, maar het nog luid zeggen ook, of niemand weet het. Als je een bescheiden karakter hebt, valt dat… zwaar' (De Morgen 30 april).
Sterk communiceren betekent niet noodzakelijk dat je duidelijk of oprecht communiceert. Wanneer Steve Stevaert vlak voor de verkiezingen zegt dat hij de drugswet niet begrijpt, is dat klare maar ook onklare taal. Want is het geloofwaardig dat een slimme politicus van het kaliber van Stevaert werkelijk de wet niet begrijpt? Had hij in dat geval niet eens kunnen polsen bij Johan vande Lanotte, zijn vriend en partijgenoot op het federale niveau die toch een groot voorstander is van de wet? Wat Stevaert zelf denkt over het gebruik van drugs, zegt hij niet. Dat was ook niet de bedoeling. Wel had hij aangevoeld dat groenen en liberalen op uiteenlopende wijze over de drugswet communiceerden, en dát heeft hij in de verf willen zetten. Dat maakte zijn tussenkomst tot een sterk moment, want hij bevestigde de verwarring die heerste bij 'de mensen'. Het leverde hem meer punten op dan zelf een poging doen om helder te communiceren over een weliswaar complexe maar niet voor interpretatie vatbare wet. Te veel en te onduidelijke communicatie kan leiden tot spraakverwarring. Wanneer de bevolking de politieke kluts kwijtraakt, is dat voor een deel te wijten aan de vloedgolf van informatie en desinformatie die de politici zelf de wereld insturen. In hun verlangen om zo vaak mogelijk het woord te richten tot kijkers, luisteraars en lezers leggen ze zelf de barrière bij de kiezer steeds hoger, zoals bij consumenten die bedolven raken onder reclameboodschappen. Marc Michils van het reclamebureau Quattro/Saatchi & Saatchi geeft ruiterlijk toe dat bij die laatsten dan inderdaad 'een zekere mate van onverschilligheid' optreedt (De standaard 6 mei). Niet alleen gaat achter nogal wat 'sterke' communicatie partijstrategisch gepoker schuil, maar te veel is simpelweg ook te veel. Zelfs politieke journalisten raken het noorden kwijt bij de lancering van zoveel ideetjes door tientallen beleidsvoerders links en rechts in talloze massamediamomenten. Wanneer iedereen daarbij ook nog eens uit geldingsdrang steeds vaker en luider gaat schreeuwen over zichzelf, horen we uiteindelijk niemand nog. Door zoveel exhibitionisme en verruwing van de communicatieve zeden raken 'de mensen' uiteindelijk afgestompt. Komt daarbij dat politici, daartoe uitgenodigd door scherpe interviewers, zichzelf wel eens tegenspreken omdat ze de lezer of de kijker willen behagen en zich dus wringen tussen datgene waarin ze zelf geloven en dat waarvan ze denken dat het publiek er wel pap van lust. Het is in eerste instantie aan de politici zelf om uit die vicieuze cirkels te stappen.
In de marge van dit alles, maar misschien toch niet zo marginaal, moeten we ons misschien eens afvragen of het frequente belichten in de media van de persoonlijkheid van de politicus alles welbeschouwd het politieke bedrijf zelf niet naar beneden haalt. Maken infotainment-programma's en -artikels die inzoomen op 'de mens achter' of op strategische partijmanoeuvers van politiek geen al te menselijke mix van ruzies en berekening? Dichter bij de mensen en spannender, inderdaad, maar daarom niet altijd fraaier. De televisie legt eigen wetten en formats op die steunen op mechanismen als directe confrontatie en duidelijke conflicten. In hoeverre leidt dit tot pseudo-politiek of zelfs antipolitiek?
Wat ons bij een laatste, voor een behaagzieke politiek wel zeer onbedoelde keerzijde van het primaat van de beeldvorming brengt, met name de zelfverminking. Want wat is de boodschap achter campagneslogans zoals 'Politiek gaat over de mensen' (sp.a) of 'Voor mensen en waarden' (CD&V)? Terecht vraagt Stefaan Walgrave zich af of iemand dan misschien gesuggereerd heeft dat politiek níet over de mensen gaat, 'tenzij de socialisten zelf, juist door deze slogan te gebruiken' (De standaard 9 april). En bedoelen de christen-democraten misschien dat de andere partijen tegen mensen en waarden zijn? Het zijn zonder meer gevaarlijke kreten, zoals populistische slagzinnen dat wel vaker zijn. Ze beogen een reinigend effect, maar bezoedeling is het resultaat. In de context van de Antwerpse crisis kunnen we wijzen op de vele momenten waarop politici beklemtoonden dat ze zich keihard en belangenloos gingen inzetten, en geen politieke spelletjes wilden spelen, 'omdat de stad er is voor de Antwerpenaren en niet voor zichzelf en de politieke partijen'? Een duidelijker manier om jezelf verdacht te maken is er niet. In 1999 al vroeg Mieke Vogels zich af of de politieke partijen, waaronder ook haar eigen groene partij, zich niet te veel met 'eindeloos gepalaver' over de nieuwe politieke cultuur bezighielden. Volgens haar werd de politiek daar niet meteen beter van, want wat voor een foefelaars moesten die politici wel niet zijn als ze zulke strenge regels nodig hebben om zichzelf in de hand te houden? 'Geen wonder dat de antipolitiek hoogtij viert,' was haar conclusie. Ook in de Antwerpse crisis gaf de politiek tot eigen scha en schande toe aan die buitenmatige focus op de spelregels (de kredietkaarten) in plaats van op het spel (het beleid). Een dikwijls terugkomend argument bij het ontslag van het schepencollege is dat politici een voorbeeldfunctie hebben. Is dat wel zo, en waarom dan wel? Schepenen zijn toch geen rolmodellen binnen een opvoedingsproject, maar wel beheerders van een visie. Waarom maken wij politici tot iconen van het goede gedrag en verlangen we dat ze heiliger zijn dan anderen die op een gelijk niveau werkzaam zijn? Waarom isoleren we hen van de rest, plaatsen we hen hoger? Wordt van topondernemers bijvoorbeeld verwacht dat ze hun handelingen en voorstellen glashelder uitleggen aan het volk? Van de bankiers? Van de uitgevers? Van de beursmakelaars? Van magistraten, artsen, cultuurpausen? Ze hebben anders wel veel invloed bij het reilen en zeilen van ons land, sommigen onder hen meer dan de gemiddelde politicus. 'De mensen verdragen blijkbaar meer van managers dan van politici,' laat Patrick Janssens zich ontvallen in Humo (8 april). Het is een pertinente opmerking in het licht van de recente opschorting van gevangenisstraf door het hof van beroep in Gent van de twee bedrijfsleiders van een Vlaamse baggermultinational, omdat anders de goede werking van hun firma niet verzekerd was. Waarom gaan wij zorgvuldiger om met de know-how van ondernemers dan met die van ons politiek personeel? Is hier een nieuw soort klassejustitie in de maak?
En waarom moeten Antwerpse schepenen zuiverder-op-de-graat zijn dan andere? Want laten we niet hypocriet zijn: van het Antwerpse schepencollege werd een ethisch correcter gedrag verwacht dan van andere politici; in andere steden had het college meer dan waarschijnlijk geen ontslag moeten nemen. De dubbele moraal en de hooghartige houding bij vele politici buiten Antwerpen - zoals we die ook zagen bij de doorbraak van het Vlaams Blok (dat overkomt ons nooit, dat is typisch Antwerps!) - waren zo doorzichtig dat uiteindelijk zelfs de milde Leona Detiège het niet laten kon om de uitspraken van haar partijgenoot Louis Tobback over de kostenvergoedingen van sommige Antwerpse schepenen misplaatst te noemen, want: 'Op Marc van Peel na was er in Antwerpen geen enkele schepen die naast zijn schepenambt nog een ander betaald politiek mandaat had. Dat kunnen de burgemeester van Leuven en vele andere Vlaamse collega's niet zeggen' (Humo 1 april). Het gemeentepersoneel voor privé-doeleinden inzetten is een praktijk die nog bijna uitsluitend in kleine steden en gemeenten voorkomt. De kans op favoritisme of politieke benoemingen is er ook groter dan in Antwerpen, waar alles via examens gaat. Zo ook is het systeem van kostenvergoeding nergens zo transparant als in Antwerpen, dankzij de door heel Vlaanderen plots vermaledijde kredietkaarten.
Naar aanleiding van het collectieve ontslag schreef Rik Torfs in De standaard: 'Opkomen voor normen mag niet leiden tot een puriteinse vloedgolf. Nauwelijks draaglijk is de triomf van de mens die altijd binnen de lijntjes kleurt en zijn volmaaktheid schaamteloos etaleert' (3 april). Helemaal ondraaglijk werd het alleszins voor het Antwerpse schepencollege, dat verhinderd werd in zijn normale functioneren - om niet te zeggen: verkrampt raakte - en te langen leste met veel tegenzin meeging in de opgelegde verplichting tot het stellen van een symbolische daad. Voor een volgend college zal het nog meer op eieren lopen worden, want de bananenschillen liggen overal en het doembeeld van de publieke vernedering zit in eenieders hoofd geprent. In Antwerpen brengt dit de politici stilaan op de rand van de paranoia: ze worden gegijzeld door een schijn waarover ze zelf niet altijd de controle hebben (zie nu al de regen van klachten tegen Antwerpse politici waarmee het Vlaams Blok na het ontslag begon).
De Mortselse burgemeester Pira betreurt het 'dat politici hoe langer, hoe angstiger worden. En door niet te reageren op beschuldigingen, groeit de antipolitiek' (De Morgen 15 maart). Ook N-VA'er Danny Pieters meent dat 'wie echt vindt dat hem of haar niets te verwijten valt, moet blijven en dat uitleggen aan de kiezer' (idem), want schepenen die vinden dat ze geen fout hebben gemaakt maar toch ontslag nemen, hollen het begrip 'politiek ontslag' uit. Wie laat uitschijnen dat de kiezer effectief altijd gelijk zou hebben, stapt in een verrottingsstrategie. Een bange, defensieve, soms bijna masochistische houding van politici ten aanzien van de kiezer verzuurt inderdaad het politieke discours en bemoeilijkt het voeren van een consistent beleid, omdat discours en beleid herleid worden tot wat goed ligt bij een vermeende publieke opinie. Dat soort populisme leidt maar zelden tot constructieve initiatieven, wel tot een opbod in zuiverheid, lafheid, machtswellust en - ergst van al - het in de hand werken van het geloof dat de perceptie de realiteit is of daar zelfs boven staat. Dat laatste wordt ook liegen genoemd. Wie leugens als waarheden verkoopt, zal ook niet geloofd worden wanneer de echte waarheid gesproken wordt.
Waarom kwam er in de plaats van een collectief ontslag geen collectief offensief tegen de negatieve beeldvorming? Hoe was een en ander verlopen had het college met één stem gesproken en unisono het systeem van de kredietkaarten verdedigd door samen uit te leggen waarom dat systeem er kwam, hoe het ingevuld werd en wat de voordelen ervan zijn of de zwakke plekken (de grijze zone), die vervolgens dienen bijgestuurd. Waarom hebben de schepenen niet gewoon flagrant geweigerd om hun ontslag in te dienen en geroepen dat de kiezer hen er maar op moest afrekenen. Ze hadden het desnoods over een inschattingsfout kunnen hebben, en vervolgens meteen over de verwezenlijkingen van de voorbije jaren. Hebben politici soms niet een beetje meer wat de joden gotspe noemen van doen. Was weerstand bieden aan pers en publiek in deze geen daad van krachtdadig bestuur geweest? Het zou in elk geval als een sterker, minder nestbevuilend signaal overgekomen zijn dan de halve schuldbekentenis die we nu kregen.
Bewonderenswaardig was hoe Leona Detiège, als leidster van de club, dit wel geprobeerd heeft. Ze heeft zich schrap gezet en bleef het nadien een 'vals en opgeklopt probleem' noemen (Humo 1 april). Ze hadden alles met een korrel zout moeten nemen, vond ze, en het anders moeten aanpakken. Daarmee bedoelde ze dat ze feller van leer hadden moeten trekken tegen de negatieve klimaatschepping en tegen de beeldvorming waarbij niet langer een onderscheid gemaakt werd tussen mogelijke fraude (verduistering, schriftvervalsing), vergoedingen voor niet-geleverd advies en het gebruik van kredietkaarten. Op 28 april wees de Raad van State de Vlaamse minister van Huisvesting en de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij terecht voor het schorsen van ambtenaren 'omdat ze geen vertrouwen meer hadden', ook al erkenden ze dat ze hen 'juridisch niets konden verwijten'. De schorsing volgde na berichten in de media. Waarom worden bij de beoordeling van politici dat soort rechtsregels niet gerespecteerd? Wie bepaalde eigenlijk dat het college niet langer het vertrouwen genoot, dat het vermoeden van onschuld niet langer gold? Wie kan de Raad van State terechtwijzen in de kwestie-Antwerpen?
Het collectieve offensief tegen de vraag om ontslag kwam er om twee redenen niet. De angst voor het Vlaams Blok was de belangrijkste. Maar ook brute partijstrategieën speelden een rol, waarbij niet werd teruggedeinsd voor verklikking, afrekeningen, verraad en gepoker. Het schepencollege speelde zichzelf uit verband, deels uit angst voor het Blok en deels om ideologische redenen.

Manu Claeys

Voor vervolg op deze tekst, zie Normvervaging & Extreem-rechts.