Van kwaad naar erger
Over politiek, journalistiek en literatuur in Vlaanderen (de zaak Reve)
19 december 2001

Dit land heeft de zaak Dutroux nog bijlange niet verwerkt. Dat kan ook niet anders: de schuldigen zijn niet veroordeeld en de voorbereiding van het proces sleept aan. Begrijpelijk dus dat een minister van cultuur zich vragen stelt over de manier waarop officieel eer kan worden betoond aan een schrijver wiens partner verdacht wordt van pedoseks.
Aan zo'n schrijver kent een jury dit jaar de Grote Prijs der Nederlandse Letteren toe. De traditie wil dat de Belgische koning de oorkonde overhandigt. Dat ligt evenwel moeilijk. De vorst heeft zich in het verleden openlijk geëngageerd in de strijd tegen kindermisbruik. Bovendien was er onlangs nog de rechtszaak tegen een boek waarin hij zelf beticht werd van pedofilie. Als verantwoordelijke minister wil je de mogelijke opspraak te vlug af zijn. Je wil niet tot ver in het buitenland geconfronteerd worden met foto's waarop de koning de hand schudt van 's schrijvers partner. Je wil ook geen slachtoffers van seksueel misbruik voor het hoofd stoten. Je ziet maar één uitweg, al is die niet elegant en al ben je er niet trots op: de koning hoeft deze keer geen acte de présence te geven.
Toen ik op vrijdag 16 november ll. mijn handtekening plaatste onder de eis tot ontslag van minister Bert Anciaux, de betreffende minister, was dat niet in de eerste plaats omdat het protocol niet gerespecteerd was. Wat ik de minister kwalijk nam, was onbeleefdheid, gebrek aan open overleg en een fundamenteel onbegrip van wat het hart van de literatuur uitmaakt. Ik erken de moeilijke omstandigheden en veroordeel niet het sluiten van compromissen, maar vind dat bij het opheffen van principes en het doorbreken van de traditie bedachtzaamheid, kennis van zaken en een open communicatie horen, en geen politieke konkelfoezerij.

1.
Om tot een evenwichtige, bijna-elegante tussenoplossing te komen had de minister discreet contact kunnen opnemen met laureaat Gerard Reve, met zijn uitgever (die, zo bleek achteraf, weet had van de bereidwilligheid van Reves partner om niet ten paleize te verschijnen), met zijn Vlaamse boekenverdeler, met bevriende auteurs die konden meedenken over hoe het nu verder moest. De minister had een verkenningsronde kunnen inlassen, met begrip voor een getraumatiseerd Vlaanderen, maar ook met begrip voor zijn sector, de letteren, waar de scheiding tussen vorm en vent hoog in het vaandel staat. Hij verkoos dit niet te doen. Zijn uitleg hiervoor is onbevredigend. In het beste geval was het onzorgvuldigheid, misschien zelfs onwennigheid tegenover de actoren in het veld.
Minstens even erg als het gebrek aan diplomatie dat sprak uit het ministeriële handelen, was voor mij het gebrek aan voeling met wat ik als de kern van het schrijverschap ervaar. Had minister Anciaux zijn kaarten op tafel gelegd, op een ernstige manier gecommuniceerd over datgene wat hem te doen stond, desnoods zijn twijfels en emotionaliteit in de weegschaal gegooid, dan zou er ongetwijfeld meer begrip zijn geweest voor zijn houding. De conclusie was dan wellicht geweest dat er al voor minder 'censuur!' of 'volkstribunaal!' geroepen is, maar dat we in een land als het onze en in tijden als deze met een onderwerp dat zo gevoelig ligt de prijs misschien toch maar beter op een andere manier uitreikten. Het onderhandse en eenzijdige karakter van de besluitname maakte vele schrijvers daarentegen hyper-alert voor een schending van wat ze als hun bestaansreden zagen. Het was immers alsof de minister van cultuur bewust, en zeer tegen de geest van zijn mandaat in, een oud taboe in de literatuur doorbrak. Had hij dan geen weet van het literaire onderscheid tussen vorm en vent, mening en handeling, de schrijver en de mens achter de schrijver?
Een verlichte maatschappij maakt doorgaans een onderscheid tussen wat de auteur doet en zegt als mens en wat hij schrijft als kunstenaar. Een verlichte maatschappij zal ook bij het verwerpen van wat geschreven staat dat onderscheid maken: we verwerpen wat de schrijver denkt, maar we vinden zijn kunst verfrissend omdat ze de vervreemding veroorzaakt die we zoeken als we kunst tot ons nemen. Als de inhoud subversief is, politiek incorrect, pervers of lasterend, zal dat deontologisch worden aangepakt, niet door een verborgen politiek van uitsluiting als er prijzen te verdelen vallen. Indien de minister de discussie hierover openlijk had gevoerd, had dat iets moois kunnen opleveren. Men had kunnen stilstaan bij de grensgebieden tussen maatschappij en kunst, men had kunnen nadenken over de interactie tussen de boodschap van de auteur en de tijd waarin hij leeft, en over de beïnvloeding die kunst kan hebben op het denken van de goegemeente. Een conclusie had kunnen zijn: we zijn het niet eens met de denkbeelden en de handelingen van de partner van de laureaat, maar toch zullen we proberen de gelauwerde te eren op de gewone manier, en als dat niet gaat, bedenken we een alternatief waar alle partijen zich in kunnen vinden. In laatste instantie, als een compromis niet mogelijk blijkt, zal het protocol worden herbekeken. In de zaak Reve heeft men wel een alternatief bedacht, maar geen waar alle partijen zich in konden vinden. De uitgever, de schrijver, het literaire milieu in het algemeen werden genegeerd. Aan een eventuele bijsturing van het protocol werd pas gedacht toen de schade al geleden was.
Als vanuit politieke hoek zo eigengereid en onbehouwen met een literaire onderscheiding wordt omgegaan, sluipt er een onrustwekkende regel het denken binnen: schrijvers moeten uitkijken met hun schrijven en hun zwijgen en doen er goed aan op regelmatige tijdstippen te verduidelijken dat ze aan de juiste kant van het maatschappelijke debat staan.
Toen de minister na de bekendmaking van zijn beslissing gevraagd werd naar zijn motieven, naar eventuele externe druk of naar ondernomen stappen in de richting van het literaire veld, volgde een ontwijkend antwoord. De beslissing bleef gehuld in een wolk van geruchten en veronderstellingen. 'Ik ken nu eenmaal de gevoeligheden,' luidde de verantwoording. Persoonlijke intuïtie is belangrijk, maar vormt een al te wankele basis voor een beleidsdaad met verstrekkende gevolgen.

2.
Opgejaagd door het korte tijdsbestek sloegen zesenzestig Vlaamse schrijvers alarm bij hun aanvoelen dat een drempel was overschreden. Ze waren verbijsterd over de opvattingen die ze tussen de regels van een politieke beslissing lazen en zegden hun vertrouwen in de minister op. Ze hielden daarbij geen rekening met de gevolgen of de uitvoerbaarheid van hun eis, en gingen voorbij aan de persoon van de minister zelf, of aan zijn verdiensten als trekpaard voor leesbevordering of als financiële pleitbezorger voor cultuur. Ze verkozen hun 'gezond verstand' te laten varen voor iets anders, want wat had je aan een waakhond die, als de keuken in brand staat, gromt? Neen, hij moest iedereen wekken, ook zij die op de zolderkamer lagen, want het gevaar was groot en de tijd drong. Geen aarzelend gekef dus, maar een luid signaal, hoorbaar in ruimte en in tijd.
Veel schrijvers begrepen niet goed waarom de minister naar eigen believen en à la tête du client de spelregels had gewijzigd. Stelde hij in een literaire aangelegenheid de politiek en het politieke indekken van het hof boven het literaire en de waarde van een literaire prijs? Verwarde het ministerie van cultuur literatuur met kindermisbruik, en de wetten van de beschaafde omgang met Realpolitik? Moest de erkenning van een schrijver het afleggen tegen de weerzin voor zijn partner ('die man is gek,' dixit de minister)? Het leek er in elk geval op alsof het vermoeden van heibel en een lopend gerechtelijk onderzoek primeerden op het respect voor de gehuldigde en zijn privacy.
Wat onduidelijk bleef, was of vanaf nu alle laureaten gescreend zouden worden vooraleer ze ten paleize mochten verschijnen en of de zonden van partners, ouders of kinderen voortaan in rekening zouden worden gebracht bij het eventuele toekennen van de prijs. Zou een jury bij een volgende gelegenheid niet twee keer nadenken over een kandidaat-winnaar die maatschappelijk gevoelig lag? En wat te denken over de vele in opspraak gekomen of reeds veroordeelde binnen- en buitenlandse gasten die wel door de koning ontvangen werden?
Het is bekend dat schrijvers niet altijd de felste pleitbezorgers van de traditie zijn. Een wijziging van het reglement, een bijsturing van het protocol, een herwaardering van een literaire prijs: voor hen kan het allemaal. Maar wie een paragraaf over morele standaarden aan het reglement wil toevoegen, moet daar ook voor durven uitkomen, zodat geweten is dat het om een ander soort prijs gaat.
Door zijn beslissing heeft de minister de aard veranderd van de belangrijkste culturele prijs der Nederlanden, die nota bene onder zijn bescherming staat. Hij heeft deze zelfs 'onherroepelijk beschadigd', meenden de opstellers van de petitie en de auteurs die hem ondertekenden, of 'van alle glans ontdaan', zoals de uitgever van Reve het stelde. En dat terwijl de minister net de beschadiging te vlug af had willen zijn. De prijs was zó anders geworden dat Nelleke Noordervliet in de Volkskrant meteen maar voorstelde de uitreiking helemaal uit Vlaamse handen te halen. Een Nederlandse hoogleraar moderne letterkunde suggereerde de prijs af te schaffen. De huldiging wordt sinds 1984 georganiseerd door de Taalunie, die werk wil maken van de culturele integratie van Nederland en Vlaanderen. De beslissing van minister Anciaux heeft zand in het raderwerk gestrooid.

3.
De minister was aanvankelijk onder de indruk van de eis tot ontslag. Hij wou de uitspraken van de auteurs ernstig nemen en vond een 'politieke wegwuif-reactie als verdediger van de culturele sector ongepast.' Hij liet verstaan de kwestie alsnog op een open manier te willen bespreken, wat in goede aarde viel bij vele schrijvers. Dat zij de minister nog een tweede kans gunden, werd bij heel wat journalisten echter op gehoon onthaald. Moet hij nu opstappen, of niet? vroegen ze, of was het allemaal maar om te lachen?
Elke week verschijnt ergens wel een krantencommentaar waarin een minister een motie van wantrouwen krijgt en er aangestuurd wordt op zijn ontslag. Bijna wekelijks hoor je een geschoffeerde vereniging of een beledigde belangengroep op eenzelfde manier de deur dichtgooien - zo vroeg een vereniging van allochtonen enkele dagen nadat de schrijvers op tafel hadden geklopt het ontslag van de minister van justitie. Moet aan schrijvers deze vorm van protest worden ontzegd? Is literatuur te chic om die te bezoedelen met dit soort maatschappelijk geworstel. Indien dat zo is, dan had de minister als eerste de literatuur onbezoedeld moeten laten. Indien het niet zo is, was de vraag om ontslag gerechtvaardigd.
Erg onwaarschijnlijk lijkt het dat andere bevolkingsgroepen of krantencommentatoren, zoals nu met de schrijvers wel gebeurde, blijvend zullen worden bevraagd over de ernst van hun eis. De vraag is immers niet: 'Staan de schrijvers wel achter hun eis?' De vraag is: 'Nu de eis is geformuleerd, ben ik als minister bereid om te zien en toe te geven dat er een fout gemaakt is, en werk te maken van een bevredigende oplossing?'
De minister bleek daar uiteindelijk niet toe bereid. Hij begon nuanceringen te zien in wat auteurs hem en de pers vertelden, hoorde dat het voor de ondertekenaars onmogelijk was om onderhandelaars af te vaardigen voor een gesprek, kreeg een lijstje toegestuurd van officiële instanties en personen met wie hij dan wel kon overleggen 'om te komen tot een belangwekkende stap die zijn eerdere beslissing bijstuurt en die aldus de eis tot ontslag kan neutraliseren' (citaat uit het persbericht van de auteurs) en las in dat alles een breuk in het schrijversfront. 'Gaandeweg heb ik begrepen dat veel schrijvers niet beseffen wat ze schrijven,' vertelde hij in een interview.
Een aantal auteurs begon inmiddels ook een en ander te begrijpen. Hun vermoeden dat de minister onder druk van bovenaf had gehandeld, werd door de minister zelf bevestigd. In een krantengesprek had hij het over een indirect signaal vanuit het hof (nadat het zich geïnformeerd had bij het ministerie van justitie), een mogelijk telefoontje vanwege de premier en een aankondiging daarvan door de minister-president. Dat er op hoog niveau over de gevoeligheid van de zaak gecommuniceerd werd, zal geen enkele schrijver abnormaal vinden. Alleen vroegen ze zich af waarom de minister daarover gelogen had en zijn beslissing als het resultaat van onafhankelijk denken had voorgesteld. Precies de stelligheid daarover had bij velen wantrouwen gewekt, want een onafhankelijk denkende minister van cultuur met een sterk geloof in de specifieke rol van de kunstenaar had in deze toch tot een heel ander besluit moeten komen.
'Heel mijn beleid is gebaseerd op de overtuiging dat cultuur een essentiële voorwaarde is om te komen tot een echte samenleving, tot meer samenhang tussen de mensen,' verklaarde de minister. Uit het Reve-gebeuren kon ik slechts afleiden dat de minister geen duidelijke visie ontwikkeld had op de verhouding tussen cultuur en kunst, dat hij de twee begrippen met elkaar verwarde. Het zoeken van een strikte scheidslijn tussen de twee is natuurlijk zinloos, maar met het oog op een efficiënt bestuur kan nadenken over een mogelijk onderscheid, over de specifieke eigenheid van kunst in dat bredere begrip 'cultuur' en over vermeende hybriden als 'socio-cultureel' of 'socio-artistiek' wel handig zijn.
'Voor mij heeft kunst altijd een maatschappelijke relevantie,' zei de minister nog. Blijkens zijn beslissing over de niet-uitreiking van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren bedoelde hij niet dat kunst bijvoorbeeld zou aanzetten tot reflectie over onze manier van bestaan, tot zelfrelativering, tot het exploreren van ons gebrek aan durf of tot het verhogen van empathisch vermogen. Wel dat de jeugd beschermd moet worden. Nogal wat schrijvers kregen de indruk dat hun minister hen vooral nuttig achtte als literaire straathoekwerkers en dat hij, zoals een van hen het formuleerde, kunst met een kampvuur verwarde.

4.
Een grondige herziening van de beslissing moesten de auteurs niet meer verwachten. Meer zelfs, de minister ging in het offensief. Aangemoedigd door de pers en gesteund door de publieke opinie, begon hij op de boodschappers van het slechte nieuws te schieten. In wat veel weg had van een drang tot politiek overleven verengde de minister het nooit echt op gang gekomen debat over vrije meningsuiting tot stemmingmakerij over de sociale intelligentie van schrijvers, waarbij hij vooral de kaart van de pedofilie trok. Niet alleen Reve, maar nu ook de ondertekenaars van de petitie kwamen in een slecht daglicht te staan. En dat terwijl ze uitgerekend tegen een politiek hadden geageerd die doet alsof kunst, literatuur het hoogste goed is en kunstenaars, in dit geval de schrijvers, de waakganzen zijn, de wachters aan de poort, maar die de ganzen verdacht maakt als ze aanslaan, of meer nog, die de individuele kunstenaar beledigt en slachtoffert om zichzelf niet in verlegenheid te brengen. Op 27 november verscheen een interview waarin de minister het volgende liet optekenen: 'Voor mij zijn auteurs vrijdenkers, voorbeelden in een samenleving.' Enkele dagen daarvoor, bij het definitief gesloten verklaren van het dossier, had hij de vrijdenkende voorbeelden beschuldigd van het vergoelijken en zelfs met de mantel der liefde bedekken van kindermisbruik en het spelen van spelletjes.
Wat de minister in deze fase van het dovemansgesprek openlijk dwars zat, was dat de partner van de laureaat pedofilie banaliseerde. Veel schrijvers konden hem daarin volgen - pedofilie verdient een delicatere aanpak dan het minimaliseren ervan - maar zolang er geen wet is die dat mondelinge banaliseren verbiedt, mag een minister geen verdoken rechtspraak hanteren.
Er ligt een heel traject tussen pedofilie en kindermisbruik, en het tweede volgt niet automatisch uit het eerste. Het doet dat wel als mechanismen van machtsmisbruik spelen, die tot diepe trauma's kunnen leiden. De partner van Gerard Reve gaf toe dat hij zijn pedofilie niet alleen in woorden beleed en dat de klacht die tegen hem werd ingediend op effectieve handelingen berust. Maar de rechtszaak moet nog beginnen, en betreft, tot het bewijs van het tegendeel, niet de laureaat van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren.
Vragen de schrijvers dan een onvoorwaardelijke houding van de minister? Moet uit een toekenning van een literaire prijs altijd een uitreiking volgen, ongeacht de omstandigheden? Het is een interessante vraag, waar ook schrijvers allicht geen rechtlijnig antwoord op hebben. De minister had zijn persoonlijke beslissing eventueel als een daad van burgerlijk verzet kunnen aanbrengen, hij had zelfs kunnen verwijzen naar de daad van koninklijk verzet die koning Boudewijn pleegde toen hij weigerde de abortuswet te ondertekenen.
Het vermoeden dat Reve op de hoogte was van wat zijn partner gedaan had leverde nog meer voer voor spraakverwarring. Hij had toch publiekelijk afstand kunnen nemen van zijn partner, hij had hem het zwijgen kunnen opleggen, hij had verontschuldigingen kunnen aanbieden aan het kind en zijn ouders! Dat alles had het inderdaad voor iedereen gemakkelijker gemaakt. Alleen, Reve heeft het recht dat niet te doen en hij hoeft, omdat hij van dat recht gebruikt maakt, niet te worden gestraft door de prijs maar half te krijgen.
En wat zouden de posities geweest zijn indien Reve zelf beschuldigd was? Wat als hij daarvoor ooit veroordeeld was? Wat als hij zijn straf had uitgezeten, boete had gedaan? Kan een misdaad worden vergeven? Welk strafblad kan of mag een literaire prijs torsen? Wat als Reve in een interview het recht op kindermisbruik had verdedigd? Menig intellectueel citeert graag Voltaire over mensen wier recht op het spuien van verachtelijke opinies men totterdood zou verdedigen omdat dit zo hoort in een democratie. De meesten onder hen begrijpen nooit echt wat ze bedoelen, want een principiële houding kan verregaande consequenties hebben. Het is goed dat de minister van cultuur belangrijke maatschappelijke debatten stimuleert en laten we hopen dat Vlaanderen ooit in het reine komt met taboes omtrent pedofilie, incest en geweld binnen het gezin, dat de grenzen die getrokken worden rechtvaardig zullen zijn en op brede instemming bij de bevolking mogen rekenen. De literaire huldiging van Gerard Reve was echter niet het platform om hierover een debat te voeren, laat staan om Witte Marsen en een onverwerkt verleden te koppelen aan een maatschappelijke stellingname van een groep auteurs.

5.
De bewering dat Reve, ondanks de beslissing, ten volle de prijs verdient ligt dezer dagen bestorven in elke politiek-correcte mond, maar ze klinkt gratuit en schijnheilig in schrijversoren. Het ministeriële wantrouwen dat tot de omstreden beslissing leidde, werkte een negatieve beeldvorming in de hand over een mens die gehuldigd moest worden. In plaats van de schrijver te eren, werd hij naakt ten tonele gevoerd. De schade was al aangericht bij de aankondiging dat de koning Reve niet zou ontvangen. Schrijvers willen er alles aan doen om de publieke opinie te confronteren met de gemakzucht van bepaalde redeneringen. Hun minister had bij deze het tegendeel gedaan, hij had een open doelkans gecreëerd.
Het regende dan ook goals en own-goals in dagbladen en tijdschriften. Het journalistengild, dat zich wel vaker op het schouwspel en de anekdote concentreert in plaats van op de inhoud, liet zich niet van zijn fraaiste kant zien. Zovele persoonlijke dada's die onder het voorwendsel van ethische bekommernissen de wereld ingestuurd werden, zoveel onvermoede boosheid tegen het schrijverswild die plots een uitweg vond in perscommentaren of columns. Een enkele journalist meende zelfs een opwelling van royalisme onder de schrijvers te bespeuren, en waren dat doorgaans toch geen republikeinen? En waarom stuurden de auteurs uiteindelijk hun kat naar een boksmatch waarop de pers zich al verheugd had? Ja, er werd wat afgelachen in de dagen na de eis tot ontslag. Het bleek de gedroomde gelegenheid voor gesmaal en geschamper. Hadden de schrijvers dan werkelijk geen gezond verstand? Ze hadden zich aangesteld en dat terwijl er zoveel belangrijker dingen in het leven waren. Tussen de vooropgestelde datum van de uitreiking en de bekendmaking van de niet-uitreiking lag amper twee weken, wat tot vormen van paniekvoetbal leidde. Na een ongerijpte beslissing van een minister volgde een vroeggeboren démarche vanwege schrijvers (een perslek dreigde), waarna een spervuur van korte, vlug bijeengepende krantenstukjes volgde wier argumentatieve relevantie zelden de volgende dag haalde. In de Vlaamse weekbladen raakte de affaire dan weer niet verder dan de lopende-zakenrubriek of het interview. Wie op zoek was naar een niet-ironische, niet-sarcastische benadering van de affaire, moest het stellen met één nuchtere beschouwing in de Financieel-Economische Tijd.
Het blijft nu wachten op fase twee, op de publicatie van gezaghebbende analyses in politicologische, juridische, literaire of algemeen-culturele tijdschriften over bijvoorbeeld de protocollaire verplichtingen van een minister, de constitutionele gevolgen van de zaak, de wenselijkheid van een ministerie van kunst of de nog resterende maatschappelijke impact van de schrijver en zijn verhouding tot de journalistieke en politieke macht. Het tijdsverloop speelt in het voordeel van de minister, want oude koeien zijn voor velen niet meer dan verhalen verteld door slechte verliezers. De positie van de minister is voorlopig echter bijzaak geworden. Van belang is dat Vlaanderen aan de verleiding moet weerstaan om een fundamentele aanvaring tussen een minister en zijn schrijvers als een accident-de-parcours te beschouwen. Natuurlijk zijn er andere, concrete problemen die ten volle onze aandacht verdienen. Maar tussen al die levensbelangrijke kwesties moet ook een debat over ideeën en het recht op ideeën en een eigen stijl zijn plaats vinden. Wie het dossier over deze affaire ridiculiseert of al te vlug als gesloten beschouwt, bewijst latere ministers, schrijvers, laureaten en officiële overhandigers van prijzen een slechte dienst.
De waakhonden van de pedoseks maken intussen immers zoveel kabaal dat die andere waakhonden, die van het recht om niet met de zonden van je partner te worden beladen, het recht om je niet publiekelijk van je parter te moeten distantiëren als hij iets fout doet, het recht om een prijs te krijgen zoals hij is bedoeld, niet langer worden gehoord. Demonen steken de kop op waartegen uitgerekend een minister van kunst en de kunstenaars over wie hij zich ontfermt moeten durven ingaan. Dat dit niet gezamenlijk kon, dat een minister lijnrecht tegen die drang van schrijvers (en van Reve in zijn gehele oeuvre) inging, is misschien wel de hoofdreden waarom zoveel schrijvers hun vertrouwen in de minister opzegden.

6.
Volgens de minister illustreerde de petitie hoezeer schrijvers mensen waren die 'zich buiten de samenleving plaatsen en zich slechts bezig houden met hun literaire bezorgdheden'. Krantenschrijvers traden hem daarin bij, ze hadden het over 'eilandbewoners' of 'lieden' die hooguit voor 'amusement' zorgden. Het hanteren van een dubbele moraal, politieke bemoeienis met kunst en literatuur, het exploiteren van maatschappelijke gevoeligheden, de schending van het recht op vrije meningsuiting en van het recht op privacy: zijn dit literaire bezorgdheden in Vlaanderen? Het zou wel eens kunnen.
Waarom bleef het rond deze zaak zo stil in het parlement en aan de universiteiten? Een paar aarzelende vragen in het politieke halfrond ('opvallend weinig aandacht', schreef de FET) en een Gentse poging tot professorenpetitie die met een zucht tot boven in de lucht steeg, en dan hadden we het zowat gehad. De 'greep van de politiek op de kunsten is daar nog groot,' schreef deVolkskrant. Door het schrappen van de ceremonie heeft de hele politieke klasse, via zijn minister van cultuur, een stap teruggezet in het uitdrukken van haar begrip en waardering voor de literatuur. In Vlaanderen blijkt tussen kroon, politiek en letteren zelfs geen verstandshuwelijk mogelijk, wat niet veel goeds belooft voor eventuele uitreikingen door bijvoorbeeld een minister-president.
Dat een handvol schrijvers (inderdaad een 'gelegenheidsgroep', zoals een krant opmerkte, en geen georganiseerd syndicaat) de moed had om op een felle vrijdag de oorverdovende stilte te doorbreken, viel niet in goede aarde. Wat waren die schrijvers toch naïef in deze. Ze eisten het ontslag en werden prompt zelf buitengegooid. Snelrecht noemde iemand de petitie tegen de minister, maar wie pleegde hier tot tweemaal toe snelrecht? 'Kunstenaars zijn kwetsbaar, zij kiezen meestal voor een moeilijk parcours om ons te verwennen,' schreef de directeur van boek.be in een krantenopinie. De eis tot ontslag was zo'n moeilijk parcours, waarbij de schrijvers zich al te kwetsbaar hadden opgesteld.
Terwijl ze nog hun wonden likten, kon de minister, gesterkt door de reacties in de pers en door het uitblijven van politieke, juridische of academische kritiek, overgaan tot het gladstrijken van plooien, zoals dat in een krantenkop genoemd werd, wat zich blijkens het artikel beperkte tot het overmaken van vrijblijvende excuses aan drie auteursverenigingen. Veel schrijvers namen daar geen genoegen mee, want de kern van de zaak bleef onaangeroerd, de moeilijke vragen onbeantwoord, de beledigingen onuitgewist.
Op zich is er niets ten goede veranderd, en veel ten kwade. De minister zocht niet naar een tegemoetkoming aan schrijversgrieven, wel naar barsten in een front dat er nooit een was. Hij zocht een vluchtweg in de verdachtmaking en joeg daardoor 'enorme ego's' (ik citeer de minister) steeds verder tegen zich in het harnas. Hij wilde getaxeerd worden op zijn hele beleid en niet op een uitschuiver, liet hij weten. Dit was geen uitschuiver, maar een kettingbotsing.

Manu Claeys