![]() |
|
|
Niet de vaderen maar de kinderen
Communautarisme en het groene denken mei 2007 Milieuproblemen trekken zich niets aan van grenzen, en lotsverbondenheid over grenzen heen bevordert de solidariteit. Voor de groene partijen in België vormen die twee invalshoeken – een ecologische vaststelling en een linkse overtuiging – de onderbouw voor hun internationale gezindheid, weg van wat ze vaak als ‘eng’ nationalisme omschrijven. Communautair? Au contraire
In de jaren zestig en zeventig plaatsten nieuwe sociale bewegingen thema’s als het milieu, pacifisme, antiracisme, de derde wereld, armoedebestrijding, emancipatie en dierenrechten op de politieke agenda. Tot dusver had de Belgische politiek zich rond drie grote breuklijnen gestructureerd: een sociaaleconomische, een levensbeschouwelijke en een communautaire. De groenen gingen zich op de nieuwe breuklijn tussen materialisten en postmaterialisten profileren. Ze legden zich toe op ‘anders gaan leven’. Bij communautaire discussies hielden ze zich aanvankelijk afzijdig: het had naar hun gevoel een te hoog stammentwistgehalte, en andere kwesties verdienden meer aandacht.
Groene verkozenen zoals Ludo Dierickx – eerste Kamerlid voor Agalev – bepleitten net een universele dimensie in de lokale politiek. Als er in de wereld zo veel hongersnood, oorlog en vervuiling is, dan wordt dat mee veroorzaakt doordat nationale belangen boven het internationale belang gesteld worden. Met ‘eigen land eerst’ schiet de internationale samenwerking niets op, laat staan met ‘eigen landsdeel eerst’. Wie hier consequent wil zijn, maakt van binnenlandse taalgrenzen dus bij voorkeur geen sociale, economische of fiscale grenzen. Groene pleidooien voor een hechte samenwerking tussen de twee grote gemeenschappen in België zijn het logische gevolg. Toen Agalev en Ecolo eind 1981 in het parlement kwamen, kozen ze bewust voor een gezamenlijke Kamerfractie. Drie jaar daarvoor hadden de socialisten nog de laatste grote nationale of unitaire partij opgeheven. De groenen werden politiek actief nadat de eerste, culturele fase van de staatshervorming (1970) was ingeluid: de gemeenschappen hadden net eigen culturele bevoegdheden gekregen. Tussen 1980 en 1989 volgde de oprichting van de gewesten Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Stelselmatig kregen die meer autonomie. De groenen bleken koele minnaars van deze evolutie, ook al waren kleinschaligheid, subsidiariteit (= beslissingsniveau zo laag mogelijk houden), machtssplitsing en politiek op mensenmaat groene strijdpunten. Ze beseften wel dat er voor eens en voor altijd een oplossing moest worden gevonden voor de oude wafelijzerpolitiek. Maar een ecologische krachtenbundeling en sociaaleconomische solidariteit vonden ze belangrijker dan het bestendigen van een logica die de saamhorigheid uitholde. Betekenisvol in dat verband was hun steun aan de staatshervorming van 1993 – een tweederde meerderheid was immers vereist – in ruil voor … de belofte van een nationale milieuheffing op verpakkingen (de ecotaks), net als het voorstel dat groen parlementslid Magda Aelvoet toen op tafel legde over een federale kieskring voor de hele Kamer. Terwijl steeds meer bevoegdheden en budgetten naar de regio’s werden overgeheveld, bleven Agalev en Ecolo over de taalgrens heen samen aan dossiers, standpunten en wetsvoorstellen werken. In 1989 richtten ze daartoe een gezamenlijk coördinatiebureau op, dat in 1994 werd uitgebouwd tot een volwaardig federaal bureau. Gaandeweg zorgde de Belgische politieke realiteit echter ook in de groene familie voor communautaire meningsverschillen, bijvoorbeeld over de Brusselse rand. Na 1991 werd in partijprogramma’s, in het ledenblad en op congressen meer aandacht besteed aan de communautaire problematiek. Na 1993 ging Agalev zich ‘de Vlaamse groenen’ noemen en in Ecolo ontstond een francofone tendens. De discussies namen toe na 1999, toen regeringsdeelname beide partijen vaker dwong om stelling te nemen, soms ook tegenover elkaar. De wapenleveringen aan Nepal, de tabaksreclame op het autocircuit van Francorchamps, de nachtvluchten boven Brussel: dit soort dossiers stelde de interne groene solidariteit op de proef. In 2003 verdwenen de Vlaamse groenen uit het federale parlement: ze hadden niet langer verkozenen op het nationale niveau. De gemeenschappelijke fractie hield op te bestaan, het onderlinge politieke overleg verminderde, gezamenlijke initiatieven werden schaarser, de kennis van wederzijdse gevoeligheden nam af. Na bijna een kwarteeuw politieke praktijk bleven beide ecologische partijen hun wil tot samenwerking en een afkeer voor communautair opbod delen, maar de context waarbinnen ze dat deden was fundamenteel veranderd. Niet alleen voor hen als partij, maar ook voor de gemeenschappen die ze vertegenwoordigden. Nieuwe identiteiten, nieuw burgerschap
België is een kwetsbare federale staat, omdat het uit landsdelen bestaat met eigen taalregimes (al sinds 1932), gescheiden kieskringen én regionale partijen. In zo’n land werkt bestuurlijke regionalisering de verwijdering van de publieke opinies in de hand, wat de politieke middelpuntvliedende krachten nog versterkt. Naarmate de deelregeringen en gewestelijke parlementen meer bevoegdheden krijgen, vergroot immers de focus van de eentalige media – nog steeds de natievormers bij uitstek – op de politieke actualiteit in het eigen landsgedeelte en verslapt de aandacht voor wat gebeurt in de ‘rest’ van het land.
Eindigt het uit elkaar groeien van de publieke opinies onvermijdelijk in onafhankelijkheidsverklaringen? Veel Franstaligen vrezen het, zich baserend op de grote persaandacht voor communautair geladen thema’s en op straffe uitspraken van Vlaamse politici die alvast in hun media de toon zetten. Uit enquêtes in Vlaanderen blijkt echter het tegendeel. Al jarenlang wijst onderzoek uit dat een grote meerderheid van de Vlamingen geen voorstander is van separatisme. Bij veel Vlamingen heerst wel bezorgdheid over de verfransingsdruk vanuit de ‘olievlek’ Brussel. Hier duikt opnieuw het specifieke karakter van de Belgische federatie op, met twee eentalige regio’s en binnen die taalkundige tweedeling een dominant Franstalige hoofdstad volledig gelegen in de Nederlandstalige landhelft. De taalkwestie, en vooral de geografie ervan, maakt België uniek in zijn soort, onvergelijkbaar met het voormalige Tsjechoslowakije, het vroegere Servië-Montenegro of het huidige Zwitserland. Ze maakt separatisme praktisch onmogelijk, want veel hoofdstadbewoners associëren zich met een van beide taalgemeenschappen. Bovendien is het hoofdstedelijke gewest fysiek volledig vergroeid met het omliggende gewest: de helft van de bewoners van de Brusselse agglomeratie (Groot-Brussel) woont in Vlaanderen. Een boedelscheiding tussen de Belgische gewesten is voor de groenen geen optie. Behalve de klassieke ideologische tegenwerpingen (milieu en solidariteit kennen geen grenzen) en de praktische knoop Brussel is er immers ook de vaststelling dat gemeenschapsvorming en natiebouw intussen anders verlopen dan vroeger. De opbouw van identiteiten is er sterk door gewijzigd. Je bent Brusselaar, West-Vlaming én Europeaan, Waal, Turk én moslim, Antwerpenaar, Senegalees én zwart. Er zijn veel termen voor dit soort meervoudige identiteiten: hybride, kosmopolitisch, flexibel, open, postmodern, heterogeen, transnationaal. Alle overstijgen ze het lineaire denken van oorzaak en gevolg, een denken dat – zo weten de ecologisten – ook in de natuur niet volstaat om levende systemen te begrijpen. De termen suggereren eerder de complexiteit van sociale ‘ecosystemen’ of van culturele ‘biodiversiteit’. Leitkultur = Gesamtkunstwerk
Sommigen ervaren die nieuwe meervoudigheid vooral als een gevaar voor de maatschappelijke samenhang. De groenen zien er veeleer kansen in voor moderne vormen van verbondenheid. Omwille van de toenemende diversiteit ijveren ze voor een pragmatische natiebouw, voorbij klassieke sociale constructies gebaseerd op afkomst, religie of culturele gronden. Voorbij – paradoxaal genoeg – zelfs het concept van nationale identiteit of van nationaliteitsverwerving. Ze doen dit niet als idealistische oefening om hun internationalistisch gelijk te bevestigen, wel om een reeds bestaande realiteit zo goed mogelijk te beheren. Zelf noemen ze die natiebouw daarom ‘radicaal democratisch’. Ze bepleiten een toekomstgericht patriottisme eigen aan hun ecologische filosofie: niet de vaderen maar de kinderen vormen de focus. In een open en snel divers wordende maatschappij vertaalt zich dat in een gezamenlijk burgerschap van zij die een grondgebied delen, une citoyenneté de résidence. Dat groene partijen voorstanders zijn van het migrantenstemrecht is bijgevolg niet verwonderlijk. Voor rechtenverwerving is zich ergens engageren – door er bijvoorbeeld te wonen of te werken – essentiëler dan de burgerlijke gegevens op je identiteitskaart of je afkomst. Ook het splitsen van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) past in deze logica: politieke kandidaten zijn het best gedomicilieerd in het gewest dat ze willen vertegenwoordigen, niet in een bestuurlijk buurgewest met een ander taalregime. Groene pleidooien voor pragmatiek mogen niet worden beschouwd als een vraag om cultuurrelativisme of het balkaniseren van de maatschappij. Wel integendeel. De toenemende diversiteit dwingt net tot het maken van afspraken, bijvoorbeeld over het gevoerde taalbeleid. In een taalkundig complexe samenleving – en meer nog in een officieel veeltalig land als België – is een duidelijk taalbeleid met aangepaste rechtszekerheid essentieel voor de gemeenschapsvorming. In 1932 werd gekozen voor eentaligheid in de gemeenschappen, met uitzondering van het Brusselse gewest. Nieuwelingen (door geboorte of immigratie) moeten de plaatselijke taal leren, die ook de taal is van de overheid en het onderwijs. Dit strookt met het territorialiteitsbeginsel als basis voor het Belgische federaal model. De toenemende diversiteit maakt ook een permanente dialoog over normen en waarden noodzakelijk, een continu integratiedebat voor iedereen zeg maar, een levenslang inburgeren met ruimte voor individuele vrijheid binnen het acculturatieproces. De maatgevende cultuur ligt niet vast en kan door niemand geclaimd worden. Er ís wel een Leitkultur, maar die wordt niet (langer) aangestuurd door één dominante, homogene groep. Veeleer gaat het om een richtinggevende mainstream, een impliciete, normatieve consensus die voortdurend en decentraal wordt bijgestuurd. Je in die bestaande mainstream inpassen betekent niet dat je je etnische, religieuze of culturele identiteit overboord moet gooien, wel dat je naar evenwicht zoekt in je relatie met anderen op hetzelfde grondgebied, en dat je af en toe aspecten van de eigen identiteit – familie, kerk of vereniging – in vraag wil stellen ‘tot nut van ’t algemeen’, uit respect voor de anderen. In een multiculturele gemeenschap is immers geen plaats voor etnische, religieuze of culturele apartheid.In een open en diverse samenleving is het bespreekbaar maken van identiteitsconflicten een sine qua non voor de goede werking ervan. Het is ook onontkoombaar. In de multiculturele maatschappij merken we een toegenomen gevoeligheid voor en problematisering van discriminatie, racisme, culturalisme, seksisme, van vormen van geweld (pesten, mobbing, verkeersagressie) in het algemeen, van de vraag ook waar neutraliteit ophoudt en voorrechten beginnen. Zo’n samenleving ‘pikt niet langer’ onverdraagzaamheid, achterstelling of privilegering en kán het ook niet pikken, wil ze de vele identiteiten een plek gunnen. Mede daarom zien we een verhoogde publieke aandacht voor opvoeding, vorming en coaching – ook in de media. Binnen de multiculturele maatschappij wordt veel verwacht van het onderwijs, als springplank naar een goede integratie, maar ook als schepper van (gelijke) kansen. Voor de groenen is dat laatste cruciaal. In het integratiedebat leggen ze veel meer het accent op emancipatiebevordering en sociaaleconomische inpassing dan op culturele aanpassing. Vaak volgt dat laatste overigens wél in zekere mate uit het eerste. Net zoals in het onderwijs dienen inburgeringstrajecten om nieuwkomers weerbaar te maken, vinden vele groenen, niet om hen in de pas te doen lopen. Net zoals in het onderwijs gaat het om kansen krijgen én kansen grijpen. Gemeenschapsvorming is een verhaal van geven en nemen. Doorgaans volgen groenen hier het republikeinse model van burgerschap: noch de individuele vrijheid (= individualisme) noch de ingesleten normen van een gemeenschap (= communitarisme) staan centraal, wel een combinatie van beide. Of scherper geformuleerd: een wisselwerking tussen beide. Want burgerschap verwerven individuen net door actief te participeren op het gedeelde grondgebied – wat dan weer gemeenschapsvormend werkt. Die participatie vereist niet alleen dat je gelijke kansen krijgt, maar ook gelijke rechten. In een democratische rechtsstaat als België zijn die rechten vastgelegd in grondwettelijke principes als de vrijheid van meningsuiting, van religie en van vereniging, de gelijkwaardigheid van man en vrouw, de scheiding van kerk en staat, enzovoort. Uiteindelijk vormt vooral het bewaken van die onpartijdige principes de basis voor het mogelijk welslagen van een open, multiculturele maatschappij. Centen als cement
Binnen de Belgische gewesten en gemeenschappen suggereren begrippen als culturele identiteit, historische eigenheid of etnische achtergrond niet langer een gemeenschappelijkheid. Ze worden steeds minder als criteria gehanteerd om het over natievorming te hebben. Ook in discussies over een verdere staatshervorming duiken ze nog nauwelijks op. Dit discours wordt het sterkst uitgedragen door separatisten. Extreem-rechts heeft het over Waalse diefstal of ‘profitariaat’. Het Vlaams-nationalistische N-VA formuleert het wat beleefder: ‘Wij maken een communautaire analyse in het kader van een sociaaleconomische agenda. Wij willen namelijk werken aan de welvaart in Vlaanderen. En daarvoor heb je sterke schouders nodig, die de vrijheid moeten krijgen om aan die welvaart te werken’ (Knack, 6 december 2006). In Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa (2005) becijferde een economische denkgroep de wenselijkheid van een splitsingsscenario op basis van bruto binnenlands product per hoofd, aandeel overheidsschuld, exportpositie in Europa, enzovoort. De politieke obsessie voor Vlaanderen als op zichzelf staande economische entiteit is geen marginaal fenomeen. Toen in januari 2007 het Wereld Economisch Forum bekendmaakte dat België op de twintigste plaats prijkte in de jaarlijkse competitiviteitsindex, liet de Vlaamse regering meteen herberekeningen maken op basis van Vlaamse cijfers. Daaruit bleek dat Vlaanderen eigenlijk plaats vijf verdient. Grote partijen en kleine separatistische partijen vinden elkaar in dit zakennationalisme. ‘Meten is weten,’ noemt de ene dit. ‘Sterke schouders hebben vrijheid nodig,’ denkt de andere. Het politieke samengaan van radicalen en gematigden binnen politieke kartels bracht semantische verschuivingen met zich mee in het discours over de staatshervorming. Het gaat nu minder expliciet om de onrechtvaardigheid van geldtransfers en meer om verschillen in opvatting over wat goed bestuur is. Het gaat om het creëren van kansen voor alle landsdelen en om het veilig stellen van ons sociaal model: de welvaartsstaat die in een geglobaliseerde economie onder druk komt te staan en regionale beleidsaccenten behoeft. Het zakennationalisme voedt nieuwe pogingen om – zoals in de negentiende eeuw – een nationaliteitsbesef te creëren, dit keer op het regionale niveau. Het is in die zin minder zakelijk dan vaak wordt voorgesteld, omdat het een politiek doel heeft: de afbouw van het ‘artificiële’ België en de opbouw van een ‘natuurlijke’ Vlaamse natie. Voor die af- en opbouw wordt opnieuw een onderscheid in identiteit naar voor geschoven, van zakelijke aard dit keer. Verschillende businessmodellen nopen tot verdere bestuurlijke splitsing, is daarbij de conclusie. Alsof binnen de gewesten hierover geen verschillende opvattingen zouden bestaan. Het zakennationalisme staat ook haaks op de internationale dynamiek van economische en politieke machtsoverheveling naar boven in plaats van naar beneden en heeft veel weg van een reactie daartegen. Zij die meer bestuurlijke autonomie of zelfs onafhankelijkheid bepleiten, blijken vaak ook weerstand te bieden tegen de europeanisering van de wetgeving. Pleitbezorgers van Europa zijn dan weer dikwijls tegenstanders van confederalisme of separatisme. Ze vinden dat de ene vorm van patriottisme een andere niet uitsluit of minder sterk maakt. Ze voeren aan dat een volwaardige federale democratie middelpuntzoekend is en net een versterking van diversiteit in eenheid beoogt. Dit samenleven in diversiteit lukt overigens behoorlijk aardig in het vredige en welvarende België. Les Verts: quoi faire? Groen: wat te doen?
Op 3 maart 1999 keurden de christen-democraten, liberalen en socialisten in het Vlaams parlement vijf resoluties goed waarmee ze een regionaal front vormden rond de splitsing van een groot aantal bevoegdheden. De Vlaamse groenen onthielden zich. Niet alleen omdat ze vraagtekens plaatsten bij de resoluties, maar ook omdat in een federatie het Vlaamse gewest niet het politieke niveau is waar resoluties worden gestemd die op het federale niveau dienen verwezenlijkt te worden. Om dezelfde reden hekelden ze in 2004 ook de eisen in het Vlaamse regeerakkoord over de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Als federalisten vinden ze dergelijke unilaterale besluitvorming strategisch contraproductief en deontologisch incorrect. De groenen zijn niet tegen hervormingen van de federale staat, wel tegen de focus daarbij op het ‘meer apart doen’ in plaats van op ‘beter samenwerken’ – een focus die de logica bepaalde van de voorbije staatshervormingen. Om de evolutie naar confederale structuren en desolidarisering een halt toe te roepen, dient die logica doorbroken te worden. Net zoals de partijpolitieke dynamiek die vaak de discussie over hervormingen aanstuurt. Om het met een boutade te zeggen: de groenen willen niet dat Vlaamse kritiek op Franstalige partijen ten koste gaat van de zwakkeren in Wallonië. De discussie over de hervorming van het Belgische staatsbestel moet fundamenteler gevoerd worden dan dat. Het is tijd voor het inbouwen van een cesuur, waarbij een globale visie ontwikkeld wordt over een rechtvaardige staatshervorming. Bij het ontwikkelen van die visie verdienen een aantal principes bijzondere aandacht. 1. Het structureel versterken van de federale logica. In het verlengde van het groene voorstel van 1993 om een federaal (en dus geen provinciaal of regionaal) kiessysteem uit te bouwen dienden de Ecolo-senatoren Isabelle Durant en Josy Dubié in maart 2005 een wetsvoorstel in om artikel 63 van de grondwet in functie daarvan te herzien: voortaan zou een vast aantal van alle Kamerleden verkozen worden in een nationale kieskring. Met dit voorstel streven de groenen naar een transnationale, (taal)grensoverschrijdende politieke vertegenwoordiging – niet toevallig verenigden de groene partijen in het Europees parlement zich in één European Green Party. Het is ook een manier om de federale besluitvorming dichter bij de kiezer én het federale parlement te brengen, weg van de verdragcultuur tussen regeringspolitici verkozen in aparte kieskringen. Ook de installatie van een grondwettelijk hof en het instellen van een hiërarchie van normen kunnen bijdragen tot het versterken van de middelpuntzoekende krachten – zoals dat in het federale Duitsland het geval is. Nu is geen arbitrage mogelijk van belangenconflicten tussen gewesten of gemeenschappen en heerst er ook een verwarrende evenwaardigheid van federale wetten en regionale decreten, waardoor politieke verantwoordelijkheid vaak gedeeld en dus ‘van niemand’ is. 2. Een institutionele vereenvoudiging, zeg maar de constructiefouten wegwerken die zijn ontstaan na een aantal staatshervormingen. De politieke regionalisering van België heeft democratische pluspunten opgeleverd, maar heeft ook geleid tot ondoorzichtige, nodeloos ingewikkelde, inefficiënte, dure en ondemocratische besluitvormingsprocessen. Zo verplicht de bevoegdheidsverdeling tot samenwerkingsakkoorden tussen de verschillende regeringen (vanuit de federale regering alleen al meer dan 150 sinds 1989). Dit maakt van België een permanente diplomatieke conferentie en dus een semiconfederatie in plaats van een federale staat. Aangewezen is het om de vele tientallen intergewestelijke overlegorganen te vervangen door één nieuwe intergouvernementele instelling die wekelijks samenkomt en de agenda publiceert, wat de parlementaire controle zal verhogen. 3. Een kerntakendebat over het regionaliseren én herfederaliseren waar nuttig. Internationaal bestaat er in het groene denken een tendens om het politieke beslissingsniveau zo laag mogelijk te houden (subsidiariteit, decentralisatie) en de inning van belastinggelden op een eerder hoog politiek beslissingsniveau te situeren. Dat laatste om de solidariteit tussen velen te garanderen. Fiscale autonomie voor gewesten die, zoals in België, sociaaleconomisch hecht met elkaar vervlochten zijn, staat dan ook niet op het verlanglijstje van de groenen. Het zou tot een economisch en sociaal zinloze concurrentie leiden om bedrijven en gezinnen aan te trekken. De gemeenschappen kunnen voor de groenen zelfs helemaal geen eigen belastingen heffen, omdat in het huidige bestel dan een subnationaliteit wordt opgedrongen aan de Brusselaars. 4. De Belgische staatshervorming is onlosmakelijk verbonden met de verdere politieke en democratische uitbouw van Europa. Groenen zijn doorgaans overtuigde Europeanen en zien geen tegenstelling tussen het verlangen naar maatwerk in de regio’s en de nood aan een internationale aanpak van bovennationale problemen. De Europese Unie beschouwen ze als de meest geëigende en zelfs noodzakelijke politieke motor op het vlak van het monetaire beleid, de defensie, de bescherming van het leefmilieu, de strijd tegen de internationale criminaliteit, de gemeenschappelijke immigratie- en asielwetten, enzovoort. Europa vormt een volwaardige laag van de nationale democratie. Of zou dat toch moeten vormen, want in de feiten (wetgeving) is dit wel het geval, maar in de hoofden van haar burgers blijft de Unie onvoldoende tastbaar en begrijpelijk. Volgens de voormalige Duitse groene minister Joschka Fischer ligt dat aan het ingebouwde antagonisme tussen de nationale parlementen (en regeringen) en het Europees Parlement (en de Europese Commissie). In een toespraak aan de Berlijnse Humboldt Universiteit (12 mei 2000) bepleitte hij daarom de overgang van een confederatie van staten naar een volledige ‘parlementarisering’ in een Europese federatie. Hij zag daartoe een Europees Parlement met ‘twee kamers, waarvan de ene zou bestaan uit verkozen volksvertegenwoordigers die tegelijk behoren tot nationale parlementen en de andere uit rechtstreeks verkozen senatoren’. Hij koppelde dit aan een precieze afbakening van de bevoegdheden tussen de federatie en de natiestaten in het kader van een constitutioneel verdrag, met voor de federatie alleen soevereiniteit in kwesties die noodzakelijk moeten worden geregeld op het Europese niveau. ‘Dat zou een afgeslankte, maar slagvaardige, Europese federatie opleveren,’ concludeerde Fischer, ‘die volledig soeverein is hoewel ze is samengesteld uit zelfbewuste natiestaten.’ Zijn voorzet ligt in het verlengde van wat Kalypso Nicolaïdis, directeur van de European Studies Centre in Oxford, een demoi-cracy noemde: de Europese Unie berust niet op één demos, wel op verschillende demoi die geen eenheid (of eenheidsworst) nastreven maar een continu onderhandeld Gesamtkunstwerk van identiteiten. Ook hier is de negentiende-eeuwse natievorming verleden tijd. 5. De ligging van het overheersend Franstalige Hoofdstedelijk Gewest binnen een Nederlandstalig gewest creëert bestuurlijke beperkingen en linguïstische wrijvingen aan beide kanten van de gewestgrens. Een harmonie vinden tussen grootstedelijke ontwikkeling en taalrechtvaardigheid in en rond Brussel vormt hier de uitdaging.
In Waals Brabant zijn er dorpen waar tot veertig procent Vlamingen wonen. Toch is de voertaal er Frans, omdat de Vlamingen er het territorialiteitsbeginsel (ius soli) respecteren, zoals in Zwitserland. In Vlaams-Brabant zweren Franstaligen vooral bij het personaliteitsprincipe (ius personae). Ook daar wordt de voertaal steeds meer het Frans. Achter deze evolutie zit geen politieke agenda, wel een sociolinguïstische wet. De helft van alle Vlamingen beheerst het Frans, slechts een vijfde van alle Franstaligen spreekt ook Nederlands. Bij ontmoetingen wordt daarom meestal Frans gesproken. Precies omdat veel Nederlandstaligen meertalig zijn, blijven Franstaligen ongemotiveerd om Nederlands te leren. Het officiële Vlaanderen decreteert taaldwang, feitelijk heerst er taalvrijheid. Omgekeerd propageren Franstaligen taalvrijheid, maar in de realiteit leidt dit tot taaldwang voor Nederlandstaligen. Taalkundige onrechtvaardigheid leidt tot verdamping van het Nederlands in Brussel en de Vlaamse rand. De taalgrens blijft opschuiven naar het noorden (nooit naar het zuiden). Een dubbelzinnige taal- en faciliteitenpolitiek versterkt nog die tendens. Zonder een voluntaristische taalpolitiek gebaseerd op het territorialiteitsprincipe trekt de meest inschikkelijke taalgroep altijd aan het kortste eind. In Brussel leidt de bestuurlijke opsplitsing tussen de twee taalgemeenschappen vooral tot praktische problemen. Gemengde huwelijken en meertalige gezinnen vallen tussen wal en schip. Het gesubsidieerde verenigingsleven mag geen meertalige werking hebben. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke inschrijvingslijst kunnen de onderwijsnetten niet nagaan wie de leerplicht nakomt en wie niet. Twee naast elkaar bestaande stelsels leiden tot steeds grotere absurditeit en contraproductiviteit in het multiculturele leven van alledag. De Brusselse institutionele architectuur is aan een trendbreuk toe. De grenzen van het Hoofdstedelijk Gewest in vraag stellen heeft daarbij weinig zin: een groeiende stad valt nooit echt af te bakenen en de verfransingsdruk in de rand zal er niet door stoppen, integendeel. Logischer lijkt het om naar een andere institutionele invulling van gewest en gemeenschap te streven. Economisch en ruimtelijk wordt het autonome Brussel steeds disfunctioneler; bestuurlijke integratie in een groter geheel kan hier een uitweg bieden. Qua taalpolitiek is de grens tussen de gewesten dan weer té permeabel, in beide richtingen. Waarom van Brussel geen aparte, tweetalige gemeenschap maken voor persoonsgebonden materies (onderwijs, cultuur, gezondheid, …) – voorbij het bicommunautaire beheer? Desnoods drietalig (moedertaal plus twee), want het gebruik van Engels als lingua franca neemt toe. En waarom het Brusselse Gewest niet laten opgaan in het Vlaamse Gewest voor grondgebiedgerelateerde materies? België zou dan twee gewesten en vier gemeenschappen tellen, waarbij gemeenschappen en taalgebieden samenvallen. Die omkering van gemeenschap en gewest zou dichter aansluiten bij de realiteit en een pak wetgeving overbodig maken. Het zou de onderlinge solidariteit ook versterken: Franstaligen respecteren het linguïstisch territorialiteitsbeginsel, Vlamingen investeren mee in de sociaaleconomische draagkracht van Brussel. Dergelijke omkering past binnen het groene denken. Het filosofische ‘van taalgrenzen geen sociaaleconomische grenzen maken’ uit de jaren tachtig wordt concreter gemaakt in ‘de taalkundige waarde van grenzen versterken en het sociaaleconomische belang ervan verzwakken’. Een dergelijke hertaling van het Belgische federalisme kan model staan voor Europa. Manu Claeys (verscheen in het boek Waar België voor staat. Een toekomstvisie, samenstelling Geert Buelens, Jan Goossens, David van Reybrouck, Amsterdam/Antwerpen: Meulenhoff/Manteau, 2007) Bibliografie
Dierickx Ludo, Nationalisme onder het mes. Kritiek van het politieke nationalisme in België en in het algemeen, Antwerpen: Fantom, 2002
Dobson Andrew, Green political thought, London: Routledge, 2000 |
|